Trouw | ‘Mijn grootste wens was een film maken over de mystiek van het leven’

Belinda van de Graaf

Scene uit ‘Buladó’ | Gregg Telussa

‘Buladó’ speelt zich af op Curaçao en is merendeels Papiaments gesproken. Dat maakt deze film van regisseur Eché Janga tot een vrij uniek project. ‘Curaçaoënaars vonden het vooral heel tof dat we niet voor de toeristische blik op het eiland gingen.’

“Ik vond het belangrijk om het echte Curaçao te laten zien”, zegt Eché Janga (42), “niet de bekende witte stranden en gekleurde huizen van Willemstad, maar Bandabou, het binnenland.” Daar woont de hoofdpersoon van ‘Buladó’, het elfjarige schoolmeisje Kenza, samen met haar vader en grootvader op een autosloperij.

Kenza staat tussen twee vuren. Haar nuchtere vader wil dat ze Nederlands spreekt. Hij wil niets horen over het verleden. De grond waarop ze wonen, wil hij liefst zo snel mogelijk verkopen. Grootvader is uit ander hout gesneden. Hij gelooft in geesten en spreekt Papiaments. Ook herinnert hij eraan dat ‘de tranen van slaven, hun bloed en zweet, op deze grond wonen’.

Janga, geboren uit een Antilliaanse vader en een Nederlandse moeder, brengt zo een dialoog op gang tussen heden en verleden van de Antillen. Hij baseerde zijn vertelling deels op een oude slavensage die in zijn familie de ronde deed. “Mijn vader verliet Curaçao om in Nederland te gaan studeren. Hij lijkt op de vader in de film, een vrij kordate en rationele man”, zegt Janga. “Maar ik heb ook een oom die juist heel avontuurlijk en spiritueel is en op wie ik het karakter van de grootvader heb gebaseerd. Die oom is een echte Antilliaan, hij zit vol verhalen.”

Hun enige hoop was de vlucht

Via zijn oom hoorde Janga over de slaven die onder erbarmelijke omstandigheden in de zoutmijnen op Curaçao werkten. “Hun enige hoop was gericht op een vluchtverhaal”, zegt Janga. “Als de slaven van de plantage zouden vluchten en van een rots zouden springen, zouden ze naar Afrika kunnen vliegen en eindelijk weer vrij zijn. Buladó betekent ‘dat wat vliegt’.” Volgens Janga vertelden slaven elkaar dit verhaal om hoop te houden. “Terwijl het eigenlijk om zelfmoord ging”, zegt hij. “Curaçao is een kale, dorre rots in de Caraïben. Vluchten heeft geen zin. Als je vlucht, sterf je.”

Janga verwerkte de slavensage in zijn film, en dan met name in het verhaal van de grootvader die liever sterft dan dat hij opgesloten wordt in een tehuis. Een film maken over de mystiek van het leven was zijn grootste wens, zegt de regisseur. “Als je nadenkt over het leven, denk je vanzelf na over de dood. Ik herinner me dat ik als kind al gefascineerd was door de dood, door het besef dat het leven eindig is.

“Als kind dagdroomde ik erover: als ik dood ben, krijg ik alle antwoorden op het leven. Het hield me heel erg bezig, zeker nadat ik ‘The NeverEnding Story’ had gezien, een soort filosofische jeugdfilm uit de jaren tachtig. Het was een film die niet alle antwoorden gaf, zodat je ook zelf dingen kon invullen.” Janga, die al twee Gouden Kalveren won voor zijn debuutfilm ‘Helium’, zegt zelf ook het liefst zo te werken, “dat je nog een beetje overlaat aan de verbeelding”.

Met Buladó is Janga een van de weinige Nederlandse filmmakers die een verhaal situeerde in een voormalige kolonie, en via het heden stilstaat bij het verleden. Het maakt het coming of age-verhaal van het Curaçaose meisje tot een vrij uniek project. Enkele jaren terug was er wel een verfilming van ‘Dubbelspel’, het beroemde boek van Frank Martinus Arion, maar de regie was in handen van een Amerikaan en de voertaal was Engels, wat toch een beetje vreemd was.
Je moet een crew hebben die tegen de hitte kan

Janga: “Ik denk dat als je een Nederlander bent zonder etnische achtergrond, dat je er niet zo snel aan denkt om een film te maken over de Antillen, of over Suriname of Indonesië. Dat Jim Taihuttu momenteel werkt aan ‘De Oost’, een grote film over de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, heeft ermee te maken dat hij zelf Moluks is.”

Daarbij is het filmen op Curaçao een behoorlijke uitdaging. Er is geen filmindustrie, niks. “Ja, je moet je kunnen aanpassen aan de omstandigheden op het eiland”, vertelt Janga, “en een beetje guerrilla style filmen, vaak uit de losse pols en met natuurlijk licht.” Ook moet je volgens Janga een crew hebben die tegen de hitte kan en bij 33 graden in staat is de hele dag door te werken.

Voor lokale medewerkers was dat geen probleem. Er werkten behoorlijk wat eilanders mee aan de film, waaronder ook de jonge hoofdrolspeelster Tiara Richards die in een schoolklas werd gevonden. “Wat de Curaçaoënaars vooral heel tof vonden, is dat we niet voor de toeristische blik op het eiland gingen, maar in het binnenland filmden, overwegend in het Papiaments. Dat hadden ze niet eerder meegemaakt.”

Bron: Trouw

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *