Column JM Eustatia | Foute rechter(s): Zambesi (4)

Column door dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Het Gerecht alhier is, ondanks de overvloed aan bewijzen voor door mr. Veenhof in de arbitrageprocedure genomen partijdige en zelfs foute besluiten, niet geneigd deze vakbroeder te veroordelen. De belangen, die op het spel staan, zijn immers enorm. Niet alleen zal de positie van mr. Veenhof, indien hem ook corruptie kan worden aangewreven, onhoudbaar worden, maar ook de door hem in de Zambezi zaak genomen besluiten zullen dan in een veel kritischer daglicht komen te staan dan met de recente publicaties in de NRC al het geval was.
De deur wordt dan immers wagenwijd opengezet voor een hernieuwde en kritischer analyse van de gehele Zambesi affaire met de daaraan verbonden vermeende betrokkenheid van de KLM en de door Booi en El Hage bij de Nederlandse Staat in te dienen miljoenenclaim.

Mijn vrienden manen mij, in verband met de op het spel staande belangen, tot voorzichtigheid.

In de vorige column heb ik één van de vele foute besluiten van mr Veenhof onder het vergrootglas geplaatst en kwam tot de conclusie, waartoe ook élke integere rechter had moeten komen: mr FJP Veenhof heeft zich in deze arbitrage-procedure als een door en door partijdige arbiter opgesteld.

Mr Veenhof voelde zich zo onaantastbaar, dat hij zich niet liet hinderen door de waarheidsplicht, waaraan een arbiter/rechter in een door hem geleide procedure onverbrekelijk gebonden is. Mr. Veenhof liet immers zonder blikken of blozen in zijn eindvonnis vastleggen ‘dat hij de wederpartij niet op één enkele daad van kwade trouw heeft kunnen betrappen’.

Dit terwijl mr. Veenhof in een apart door mij aan hem aangeboden dossier (Hoofdstuk 1 inleiding en voorgeschiedenis) op tal van onrechtmatige daden, waaraan de wederpartij zich heeft bezondigd, is gewezen. Daden zoals verduistering en poging tot oplichting, waarvan mr. Veenhof gedwongen was er meer dan één te corrigeren.

Mr. Veenhof heeft onweerlegbare bewijzen voor het door de wederpartij manipuleren van de statuten volledig ontkend door steeds tegen te werpen, dat ik die statuten zelf ook had getekend. Hoe ik hem ook heb trachten te overtuigen van het feit, dat bepaalde addenda buiten mijn medeweten later aan de statuten waren toegevoegd en dat de toegevoegde appendix I dit feit onloochenbaar bevestigde…..

Mr. Veenhof had daar geen oren naar. Hij legde zijn oor uitsluitend te luisteren bij de partij, die vertegenwoordigd werd door advokaat mr RD, die hem voor de benoeming tot arbiter had voorgesteld.

Mr. Veenhof maakte op onverholen wijze misbruik van zijn macht door mij uitspraken toe te dichten, die ik volgens hem tijdens de arbitrageprocedure zou hebben gedaan, maar die ik bewijsbaar nooit heb gedaan. Zo legde hij doodgemoedereerd in een van zijn tussenvonnissen vast, dat met partijen zou zijn afgesproken, dat de achtergrond van het conflict niet in de arbitrage zou worden besproken.

Ik heb mij fel tegen dit arbitraal besluit verzet. Want ik had niet voor niets dossiers ingediend, waarin ik aangaf dat aan dit onderwerp extra aandacht diende te worden besteed.

Door dit op een flagrante leugen gebaseerd besluit, werd mij het initiatief ontnomen om zélf een dialoog aan te gaan over de aan mij uit te keren schadevergoeding en vertrekpremie. Ik was hierna dan ook geheel overgeleverd aan de bereidheid van mr Veenhof om mijn belangen te behartigen.

Men mag aannemen dat voor mr Veenhof, die er slechts op uit was de belangen van de cliënten van mr RD te dienen, de behartiging van mijn belangen pas op de tweede of de derde plaats kwam.

De vraag die gesteld moet worden is: welk belang IK in hemelsnaam zou kunnen hebben bij het onbesproken laten van de achtergrond van een door de wederpartij uitgelokt conflict, dat alleen maar was bedoeld om zich mijn aandelen toe te eigenen?

De arbiter kon in zijn tussenvonnissen vaststellen wat hij wilde, omdat het arbitrage-proces, doelbewust gekenmerkt werd door een ongekende vrijblijvendheid zijdens de arbiter: niets dat tijdens de zittingen was overeengekomen werd in een procesverbaal of in door partijen voor akkoord getekende notulen vastgelegd. De arbiter kon dus aan een ieder uitspraken toedichten, die hem het beste uitkwamen.

Mr. Veenhof had nl. weldegelijk door, dat het bespreken van de achtergrond van het conflict, ernstige consequenties zou kunnen hebben voor de wederpartij, omdat daardoor de ongeloofwaardige en vooral ronduit onverkwikkelijke overwegingen die aan de opzegging ten grondslag lagen, aan de orde zouden komen.

In zijn eindvonnis verweert de arbiter zich tegen mijn beschuldiging door te stellen, dat in de reglementen van het arbitrage-instituut AINAA niets wordt vermeld over de verplichting van de arbiter notulen van het tijdens de zittingen besprokene op te maken. Een nonargument.

Mr. Veenhof was door deze zich zelf aangemeten vrijheid in staat stellingen te poneren, die bewijsbaar in strijd waren met de waarheid.
Verondersteld mag worden, dat deze rechter vaker deze truc zal hebben toegepast om aldus op ongegeneerde wijze een fout standpunt te kunnen verantwoorden.

De houding, die mr Veenhof gedurende het gehele arbitrage-proces innam, getuigde van machtsmisbruik: van ‘wie doet me wat?’

En dat kon hij ongestraft blijven doen in de wetenschap dat de rechter een arbitrale vonnis niet inhoudelijk doch slechts zeer marginaal zal toetsen; slechts bij aantoonbaar ernstige fouten en met name rekenfouten bestaat de kans, dat de rechter tot vernietiging van het arbitrale vonnis zal overgaan.

Dat maakte de afgewezen aangevraagde wrakingen van een bewijsbaar partijdige (en dus persé te wraken) arbiter tot een zaak met voor mij de nodige ernstige gevolgen.

Als van een rechter sprake is van zelfs de schijn van partijdigheid, zal het Gerecht aan een verzoek voor wraking gevolg moeten geven en de betreffende rechter door een andere rechter laten vervangen. Let wel: reeds de schijn van partijdigheid is voldoende om tot wraking van een rechter/arbiter te besluiten.

Deze vaststelling is van belang in het licht van het in het vijfde deel van mijn columns, te besteden aandacht aan het door rechter mr B behandelde tweede wrakingsproces.

Rechter mr B ging zo ver om, ondanks de meer dan tien (10) hem toen voorgelegde onweerlegbare voorbeelden van zijdens mr Veenhof getoond partijdig gedrag, mr Veenhof in zijn vonnis van zelfs de schijn (sic!) van partijdigheid vrij te pleiten.

Men mag zich afvragen hoe het mogelijk is, dat een arbiter/rechter, die zich op het internet als een ervaren mediator presenteert; een mediator die naar eigen zeggen als accountant bij een grote bank in Canada heeft gewerkt en daarom in staat is ook conflicten met een financiële achtergrond te behandelen, tegen elke wijsheid in, doelbewust de accountant-deskundige opdraagt om voor zijn onderzoek slechts gebruik te maken van bewijsbaar gemanipuleerde jaarstukken?

Jaarstukken, waarvan zelfs een boekhouder met een beperkte werkervaring de corrumpering zou zijn opgevallen, omdat er een niet te missen “gat” gaapte van bijna NAF 400.000.00 tussen eindsaldo jaarrekening 2004 en beginsaldo jaarrekening 2005.

Dit getuigt van veel meer dan de schijn van partijdigheid en nu reeds mag de conclusie worden getrokken, dat mr Veenhof niet alleen ten onrechte de wrakings-procedures heeft overleefd, maar dat mr Veenhof door zijn vrienden bij het Gerecht doelbewust uit de wind is gehouden en dat de belangen van de
wrakende partij doelbewust aan het dubieuze doel van het in bescherming nemen van een foute rechter zijn opgeofferd.

Mr. Veenhof verantwoordde zijn opmerkelijk besluit door in zijn tussenvonnis vast te leggen, dat voor het door de accountant-deskundige te verrichten onderzoek met slechts gebruik making van de door de wederpartij opgemaakte jaarstukken kon worden volstaan, “ omdat dit tijdens de mediatie zo zou zijn afgesproken”.

Voor de duidelijkheid : Aan de door mr. Veenhof voorgezeten arbitrage is een mediatie-procedure vooraf gegaan. De basisprincipe van een mediatie is haar confidentialiteit. Tijdens het mediatie-proces worden immers om tot een in der minne schikking te kunnen komen, door partijen vertrouwelijke gegevens uitgewisseld.

De heilige afspraak is dan ook, dat in het geval partijen tijdens de mediatie niet tot een akkoord komen, de tijdens de mediatie uitgewisselde vertrouwelijke gegevens, niet gebruikt mogen worden ter beïnvloeding van de rechter, die in een voort te zetten procedure (bijv. in een na de mediatie volgend arbitrage-proces of civiele procedure) het conflict moet behandelen.

De rechter/arbiter hoort ter garandering van een volledig objectieve besluitvorming, niet op de hoogte te zijn van niets dat tijdens een mediatie als vertrouwelijke informatie werd besproken; althans niet zonder daartoe door alle partijen in het conflict gemachtigd te zijn.

Veenhofs onder link 2 vermelde cv werd op 10 november 2013 van het internet gehaald

Veenhofs onder link 2 vermelde cv werd op 10 november 2013 van het internet gehaald

Welnu : de zich op internet als een ervaren mediator presenterende mr. Veenhof, gebruikte zonder toestemming data afkomstig uit het mediatie-rapport en wendde deze data bovendien aan om voor een der partijen zeer nadelige besluiten te verantwoorden. Arbiter mr. Veenhof verschaft zich hiermee het niet te ontkennen brevet van partijdigheid.

Het was het noodlot dat bepaalde, dat ik met mr FJP Veenhof als arbiter werd opgescheept. Want ondanks het feit, dat met mijn raadsman mr MB nadrukkelijk was afgesproken, dat onder geen beding met een door mr RD voor te stellen arbiter in zee zou worden gegaan, werd in samenspraak tussen mr MB en mr RD besloten, dat de door mr RD voorgestelde kandidaat, mr FPJ Veenhof, tot arbiter zou worden benoemd.

Mr. Veenhof werd mij derhalve in 2009 als arbiter door de strot geduwd. En toegegeven, ik heb daaraan tot op de dag van heden een zere keel aan overgehouden.

Mr RD heeft – naar terecht door mij wordt vermoed – doelbewust mr Veenhof aangetrokken om hem als zijn “mol” te laten fungeren.

Mr. Veenhof bleek tijdens de mediatie vaker gebruik te maken van aan het mediatie-rapport ontleende citaten. Toen hij voorafgaand aan het eerste wrakingsproces op deze juridische doodzonde werd aangesproken, bestond zijn van pseudo onnozelheid getuigende verweer er in, ‘dat ook de anderen uit het mediatie-rapport zouden hebben geciteerd’.

Een voor wat ondergetekende betreft leugenachtige verklaring. Mr Veenhof was tijdens het eerste tegenover de Geschillencommissie tegen hem gevoerde wrakinsgproces niet zélf aanwezig. Het leek er echter op, alsof hij door de wel ter zitting aanwezige mr RD werd vertegenwoordigd. Mr RD raakte echter behoorlijk in het nauw door mijn aanhoudende aan zijn adres geuite beschuldiging, dat hij verantwoordelijk was voor het aan de arbiter afgeven van het mediatie-rapport, waar de arbiter zo driftig uit citeerde.

Mr RD werd bepaald onzeker door de aan hem gerichte beschuldigingen en versprak zich door te stellen, ‘dat de suggestie, dat de arbiter in het bezit zou zijn van het mediatie-rapport niet juist was, maar dat hij ( mr RD) de arbiter bepaalde uit het mediatie-rapport afkomstige citaten had ingefluisterd’.

Mijn al te slap optredende raadsman heeft hier een uitgelezen kans voorbij laten gaan om op dát moment de wraking van mr Veenhof te eisen. Mr RD, die in de loop der jaren meerdere verweerschriften in deze zaak heeft moeten indienen, heeft deze ‘slip of the tongue’ in geen van die verweerschriften ontkend. Dit in tegenstelling tot recentelijk de leden van de Raad van Appèl, die – terwijl die als leden van een rechtsprekende Raad, verondersteld worden een objectief en onpartijdige standpunt in te nemen- hun eigen slinkse verklaring voor deze freudiaanse verspreking hebben gefabriceerd, in een poging deze toch wel zeer ongelukkige verspreking te neutraliseren.

Een verspreking bedoeld om mr. Veenhof uit de wind te houden, maar waardoor hij juist werd geïncrimineerd.

Mr Veenhof had, zoals eerder gesteld, alleen al op grond van de toentertijd reeds aangehaalde feiten gewraakt moeten worden. De verloedering van de rechtszekerheid, die de behandeling van de zaak Veenhof heeft gekenmerkt, blijkt ook uit het feit, dat ondanks het aanvoeren van een geleidelijk aan tot meer dan vijftien door mij aangehaalde voorbeelden van aperte partijdigheid, het mij in vier wrakingsprocessen, niet gelukt is mij van deze door en door partijdige arbiter te ontdoen.

Ik heb enkele jaren geleden deze zaak voorgelegd aan het Nederlandse Adviespunt Klokkenluiders. Men vond ook aldaar de aangedragen feiten ernstig, maar men waarschuwde mij in een telefoongesprek om, indachtig het treurige lot van vele Nederlandse klokkenluiders, pas dan tot openlijke beschuldigingen over te gaan, wanneer ik voor de 100% zeker was van mijn zaak.

Ik heb hen voor hun advies bedankt en bericht voor 100% achter mijn standpunten te staan en dat ik ter gelegener tijd opnieuw contact zal opnemen met een verzoek om via hun site grotere bekendheid te geven aan deze zaak.

Maar mag men mr Veenhof behalve een partijdige ook een corrupte arbiter noemen? Sommigen stellen, dat het loutere feit, dat hij doelbewust de accountant- deskundige heeft willen overhalen om van gecorrumpeerde jaarrekeningen gebruik te maken, voldoende is voor de aanduiding corrupt.

Ik heb ondanks het feit, dat mr. Veenhof tevens gedoogde, dat de wederpartij van een gecorrumpeerde inventarislijst gebruik maakte om zich mijn eigendommen toe te eigenen en dat er veel meer feiten kunnen worden vermeld, die er aan bijdragen, dat mr. Veenhof op zijn minst de schijn van corruptie aankleeft, het woord corrupt aanvankelijk niet voluit in de mond willen nemen.

Maar er was reeds in de allervroegste fase van het arbitrage-proces weldegelijk sprake van corruptie: in een van de later te publiceren columns zal ik aantonen, dat mr. Veenhof doelbewust gebruik heeft gemaakt van een hem door mr RD buiten partijen om toegespeelde gemanipuleerde akte en dat hij doelbewust
accountant-deskundige met het rapport van een gerenommeerde accountant had benaderd, had het voor mij bepaald somber uitgezien.

Maar om met de leden van de Raad van Appèl te suggereren, dat ik gezien het mede door de rente relatief hoog uitgevallen bedrag tevreden moet zijn, verder mijn mond moet houden en die brave arbiter met rust moet laten….. dat gaat mij te ver. En reken maar dat dit niet zal gebeuren!

Er zijn inmiddels tussen neus en lippen door 6 (zes) voorbeelden van partijdig arbitraal handelen vermeld :
• Het citeren uit het mediatie-rapport is een “juridische doodzonde”.
• Het citeren uit een mediatie-rapport en dit aanwenden om een der partijen te benadelen is een “ juridische doodzonde in het kwadraat”.
• Het doelbewust de accountant-deskundige gelasten voor zijn onderzoek van gecorrumpeerde jaarrekeningen gebruik te maken en zulks in de wetenschap, dat hiermee doelbewust gekozen wordt voor het benadelen van een der partijen, is een daad die in het schemerveld verkeert tussen partijdigheid en corruptie.
• Het van lieden, die zich aan tal van onrechtmatige daden hebben schuldig gemaakt, waaronder verduistering en meerdere pogingen tot oplichting verklaren, dat zij zich niet ter kwader trouw hebben getoond, is het schenden van de waarheidsplicht, waaraan een arbiter/rechter in een door hem geleide procedure onverbrekelijk gebonden is. Het getuigt in elk geval van schaamteloze partijdigheid.
• De Arbiter wordt machtsmisbruik verweten door een der partijen uitspraken toe te dichten die de betreffende partij niet heeft gemaakt. Door in strijd met de waarheid te stellen, dat ik akkoord zou zijn gegaan met het niet bespreken van de achtergrond van de opzegging, werd de angel uit mijn verweer gehaald.
• Het gebruik maken van een valse CV duidt op onbetrouwbaarheid en derhalve ongeschiktheid om als onpartijdige arbiter op te treden.

Het reeds genoemde aantal van zes van partijdigheid getuigende, dan wel in de richting van partijdigheid wijzende besluiten/omstandigheden, zal geleidelijk toenemen om in de laatste column uiteindelijk op meer dan 15 (vijftien) uit te komen!

Ten slotte dit: hoe meer feiten worden aangedragen, die er toe leiden dat de integriteit van mr Veenhof ter discussie wordt gesteld, hoe meer twijfel er zal ontstaan aan zijn in de Zambesi-affaire genomen toch al als aanvechtbaar beschouwde besluiten.

Het persbericht van het Gemeenschappijk Hof van juistitie zal niets aan die situatie kunnen veranderen, want ik denk niet dat ook maar iemand zich door dit persbericht heeft laten overtuigen.

Het is wat dat betreft een feit, dat mr Veenhof zich in deze situatie veel wijzer opstelt dan zijn collegeae van het Gemeenschappelijk HOF van Justitie, die dit van naïviteit getuigend persbericht de wereld in hebben gestuurd.

Mr. Veenhof trekt, oprecht lering uit de volkswijsheid, die uit spreuken, zegwijzen en spreekwoorden tot ons komt:
Want indachtig het spreekwoord: ‘spreken i zilver maar zwijgen is goud’, volstaat mr Veenhof er in om in alle talen te zwijgen.

Maar wellicht denkt mr Veenhof in zijn zwijgen ook aan de zegswijze: ‘als je geschoren wordt moet je stilzitten’.

In mijn volgende column zal ook aandacht worden besteed aan de nieuwe door het Gerecht bedachte strategie, die er toe zou moeten leiden dat mr Veenhof,
ondanks de niet te ontkrachten beschuldigingen, ook in de recent opgestarte civiele procedure als onschuldige martelaar te voorschijn komt.

Het Gerecht zal met de doelbewuste toewijzing van deze belangrijke zaak aan de rechter, die algemeen bekend staat als de allerzwakste rechter van ons toch al niet van hoogvliegers overlopende Hof, trachten te bereiken dat men met een uitspraak komt, waarvan de conclusie luidt dat de goede naam van de onkreukbare en integere rechter mr. Veenhof zowel vanuit gene zijde van de oceaan als lokaal geheel ten onrechte wordt besmeurd en dat de pek en veren, waarmee deze onverlaten mr. Veenhof willen insmeren, in feite voor deze lasteraars zelf bestemd dient te zijn.

Duidelijk zal worden, dat men bij het Gerecht alhier, vooralsnog niet bereid is cq er nog niet klaar voor is, om iemand uit de eigen gelederen, hoe fout deze ook moge zijn, te veroordelen.

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. J.M. Eustatia (1938) studeerde medicijnen aan de Universiteit van Nijmegen. Hij promoveerde in 1971 tot doctor in de geneeskunde op het proefschrift de vermenigvuldiging van virussen in lymphocytyen; een toentertijd zeer besproken onderwerp. In 1972 keerde hij als specialist in de laboratoriumgeneeskunde (hoofdvak Bacteriologie) naar Curacao alwaar hij tot 1998 als arts-bacterioloog en hoofd Landslaboratorium werkzaam is geweest. Eustatia heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de studie omtrent het voorkomen en de bestrijding van HIV-infecties (AIDS) op Curacao. Zijn werkzaamheden op dat gebied hadden als resultaat dat Curacao het eerste eiland in de Cariben was met een veilige bloeddonatie–organisatie. Curacao mocht tevens samen met Barbados als eerste landen in de Cariben de beschikking krijgen over het toentertijd enige en zeer beperkt beschikbare HIV bestrijdingsmiddel AZT. Lees meer…

4 Reacties op “Column JM Eustatia | Foute rechter(s): Zambesi (4)

  1. Het recht is krom en slecht
    En in de handen van een knecht,
    Dankzij de meesters van macht,
    Wordt u door hun knecht verkracht.

  2. Het feit van 400.000 , verschil geeft aan, dat de cijfers , indien deze gebruikt zijn in het proces, als hoogst onbetrouwbaar kunnen worden aangemerkt en derhalve geacht kunnen worden als onbruikbaar in het proces-arbitrage.

  3. JM Eustatia

    WIE NIET WIL ZIEN ZIET MINDER DAN DE BLINDE . Aangetoond is dat mr Veenhof gebruik heeft gemaakt van het mediatierapport ; een JURIDISCHE DOODZONDE. Aangetoond is dat mr Veenhof van een accountantsrapport gebruik heeft gemaakt waarvan het duidelijk was dat deze gecorrumpeerd is ; er gaapte immers een gat van NAF 400.000.00 tussen eindsaldo 2004 en beginsaldo 2005. Ik heb geen ( REEDS GELEVERDE ) bewijzen beloofd voor de REEDS BESCHREVEN voorbeelden, maar beloofd ADDITIONELE tot ongeveer 15 oplopende voorbeelden van foute arbitrale besluiten te zullen geven, die zoals in alle gevallen middels onweerlegbare bewijsstukken zullen worden onderbouwd. Die komen er geleidelijk aan.

  4. Waar blijven de beloofde bewijzen? Zo lang die niet worden gepubliceerd, hebben de beschuldigingen voor de neutrale waarnemer niet meer betekenis dan die van iemand die verongelijkt is over het feit door een rechter in het ongelijk te zijn gesteld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *