TPO | Het verborgen graf van een jonge gravin – Jacoba van Beieren onder het Binnenhof

Over een leven dat anders had kunnen zijn, als zij niet als meisje was geboren | Column Ronald van Raak

De avonturen van de eerste vrouwelijke bestuurder aan het Binnenhof…

Ze was nog maar een meisje van zestien, toen Jacoba van Beieren weduwe werd en bestuurder van Holland en Zeeland. Haar moeder had haar al op vijfjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een Franse prins, een huwelijk dat op haar veertiende werd ‘geconsumeerd’, tijdens een viering op het Binnenhof. Dat gebeurde in het jaar 1415.

Twee jaar later echter stierf haar jonge prins en werd zij voor het eerst weduwe. Kort daarop kwam ook haar vader om het leven en werd Jacoba gravin van de gewesten Holland en Zeeland. Maar heersen over deze gebieden zou ze nooit. Jacoba voerde een lange en harde strijd voor haar erfrechten, maar zou nooit een eerlijke kans krijgen, omdat alle mannen in haar omgeving haar bedrogen en in de steek lieten.

Na vier mislukte huwelijken en het voeren van jarenlange oorlogen stierf zij op jonge leeftijd in 1436. Als je over het Binnenhof wandelt kom je vanzelf langs het graf van Jacoba van Beieren. Zij ligt begraven in de grafkelder onder de oude Hofkapel, bij de huidige Eerste Kamer.

In de Eerste Kamer hangt ook een mooi portret van Johanna, in de Gravenkamer, waar de voorzitters van alle fracties in de senaat (het ‘College van Senioren’) elke week met elkaar vergaderen. Het portret van Johanna is onderdeel van een serie historische portretten van de graven van Holland, die vanaf de negende eeuw tot het jaar 1581 over deze kustgebieden regeerden.

Vanaf de dertiende eeuw deden de graven dat vanuit het Binnenhof. De 36 portretten van deze Hollandse graven waren bijna verloren gegaan, ze lagen te verpieteren in het depot van het gemeentemuseum. Wie ze geschilderd heeft weten we niet, maar het moet rond 1600 zijn geweest. Wie de schilderijen uit het depot heeft gered, dat weet ik ook niet, maar de senaat heeft de portretten flink laten restaureren. Ook de plek waar het portret nu hangt is historisch, omdat hier ooit de westelijke buitenmuur moet zijn geweest van de voormalige hofkapel. Boven de catacomben waar Johanna van Beieren haar laatste rustplaats vond.

In Den Haag ben ik omringd met machtige vrouwen. De leider van mijn partij is een vrouw en de voorzitter van mijn partij is een vrouw. De voorzitter van de Tweede Kamer is een vrouw en ook mijn minister is een vrouw. In de tijd van Johanna lag dat een stuk moeilijker. In de vijftiende eeuw konden vrouwen gebieden erven, maar zij mochten die niet zélf besturen. Dat was aan hun man. Het was dan ook zaak voor de moeder van Jacoba om snel een goede man voor haar dochter te vinden.

Destijds hadden huwelijken weinig te maken met liefde, zij waren een zaak van politiek. De moeder van Jacoba was een meesteres in deze huwelijkspolitiek, de Franse prins die zij vond voor Jacoba was zelfs verbonden aan het Koninklijk Huis van Frankrijk. Na de dood van deze jongen viel haar oog op Jan van Brabant. Jacoba bezat naast Holland en Zeeland ook Henegouwen, in het zuiden van het huidige België, en met het grote Brabant zou dat een machtig en aaneengesloten gebied gaan vormen. Maar deze Jan was ook haar neef.

De paus was bereid toestemming te geven voor dit politieke huwelijk tussen neef en nicht, maar dat stuitte op bezwaren van haar oom Jan van Beieren (ook wel ‘Jan zonder Genade’ genoemd), die bisschop was van Luik. Die ook zijn oog had laten vallen op de gebieden van zijn nichtje. Dit leidde in 1418 zelfs tot een heuse oorlog, waarin Jacoba de steun nodig had van haar man, maar die steun kreeg zij niet:

Jan van Brabant was een zwakkeling, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Hij ging de strijd met Jan van Beieren uit de weg en sloot een akkoord met de vijand van Jacoba, waarin hij de gebieden van zijn vrouw verpandde. Jacoba scheidde van neef Jan en vluchtte naar Engeland, waar zij trouwde met Humphrey, een zoon van de Koning. Samen met haar nieuwe man ging zij vervolgens de strijd aan om haar erfrechten, maar ook deze man trok zich in 1426 terug, waarna Jacoba ook dit huwelijk liet ontbinden. Humphrey trouwde met de voormalige hofdame van Jacoba, waarmee het verraad compleet was.

Jacoba was een sterke vrouw en goed in staat een leger aan te voeren, ook zonder de steun van haar echtgenoten. Maar twee andere mannen hadden haar dat militaire succes al onmogelijk gemaakt. Haar vader en grootvader, die met elkaar in oorlog waren geraakt. Achtergrond van dit conflict was een al lang lopende strijd tussen de traditionele adel van Holland en de opkomende handelselite, die ook een deel van de macht voor zich opeiste. De laatste groep werd ook wel ‘Kabeljauwen’ genoemd (omdat die steeds meer eten en steeds groter groeien). De andere groep werd de ‘Hoeken’ genoemd (van ‘haak’, om kabeljauw mee te vangen). Grootvader Willem V steunde voor zijn macht op de fractie van de Kabeljauwen, totdat hij gek werd en zijn zoon Albrecht met hulp van de Hoeken de macht greep. Zijn dochter Jacoba liet hij zweren om in deze strijd zíjn kant te kiezen. Daarmee was het voor de gravin onmogelijk om beide partijen bij elkaar te brengen en raakte zij verstrikt in deze ‘Hoekse en Kabeljauwse twisten’.

Jan van Beieren, de oom van Johanna die aansprak maakte op Holland en Zeeland, verdween uit beeld nadat hij stierf aan de gevolgen van een vergiftiging, gepleegd door mensen uit het gevolg van Jacoba. Daarna kwam een nog grotere dreiging, in de vorm van haar neef Philips de Goede, die heerste over onder meer Vlaanderen. Deze zette in 1425 zijn nicht gevangen in een kasteel in Gent. Jacoba beraamde echter een stoutmoedige ontsnapping. Onder het mom dat ze graag een bad wilde nemen wist Jacoba te ontsnappen aan de aandacht van haar bewakers. Ze stak zichzelf in mannenkleding en liep zo zonder problemen het kasteel uit. Met de hulp van enkele ‘Hoeken’ werd zij naar het noorden gebracht, naar het haar gezinde stadje Schoonhoven. Van daaruit begon zij een soort van ‘guerrilla-oorlog’ tegen haar neef Philips, maar dat hield zij maar een paar jaar vol. In 1428 werd een ‘vrede’ getekend waarin Philips Jacoba verbood om nog te trouwen en waarin hij feitelijk de macht overnam in Holland en Zeeland.

Als ik kijk naar het portret van Jacoba in de Gravenzaal in de Eerste Kamer, zie ik in haar blik een zekere weemoedigheid. Over een leven dat anders had kunnen zijn, als zij niet als meisje was geboren. De echte overdracht van de macht vond plaats op Paaszondag 1433, tijdens een feestelijke bijeenkomst op het Binnenhof. Toch moet dit moment voor haar ook een bevrijding zijn geweest. En het heeft haar er niet van weerhouden om nóg een keer te trouwen, nu met de Zeeuwse edelman Frank van Borssele. Twee jaar leefden zij gelukkig in slot Teylingen bij Voorhout, tot Jacoba op 35-jarige leeftijd aan de tering stierf.

Ronald van Raak schreef eerder over Johan van Oldenbarnevelt, die eveneens in de grafkelders ligt onder het Binnenhof.

Ronald van Raak – Het verborgen graf van een jonge gravin – Jacoba van Beieren onder het Binnenhof

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *