Column JM Eustatia | Foute rechter(s): Zambesi (5)

Column door dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

In de vorige columns is met voorbeelden aangetoond, dat mr Veenhof in de door hem voorgezeten arbitrage-procedure zich als een door en door partijdige arbiter heeft opgesteld. De reeds vermelde zes voorbeelden spreken voor zich. De vraag is hoe het mogelijk is, dat mr Veenhof desondanks vier wrakings-procedures heeft kunnen overleven? Het antwoord daarop luidt kort en bondig “omdat het wraken van een rechter in onze lokale rechtscultuur tot voor enkele jaren geleden niet alleen zeer ongebruikelijk was, maar feitelijk als zelfs ‘not done’ werd beschouwd. Rechters hebben immers toch altijd gelijk?”.
Alhoewel recentelijk wel eens sprake is van het wraken van een rechter, blijft dit eigenlijk nog steeds een taboe. De rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Jusititie leven nog steeds in de door hen zelf opgetrokken virtuele ivoren toren van onaantastbaarheid. Een ivoren toren, waarvan de onaantastbaarheid door de Hofpresident angstvallig wordt bewaakt.

Het is het laatste overgebleven bolwerk dat, nadat het door kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters, kloosterlingen en gelovigen, dicht bevolkte bolwerk van de katholieke kerk, met donderend geraas omviel.

Men likt in Rome nog steeds hun wonden, maar men begint echter wel heel voorzichtigjes te experimenteren met een kerkelijk rechtssysteem, waarin meer plaats is voor dialoog en het oprechte streven zich van het achterhaalde middeleeuwse idee, dat de clerus boven de massa staat, los te maken. Het is te hopen, dat de nieuwe Hofpresident ook naar een opener rechtscultuur zal streven. Een rechtscultuur, waarin meer ruimte zal zijn voor dialoog in plaats van uit de ivoren toren vermaningen richten tot kranten, die de mening publiceren van een opstandige, een voor zijn recht strijdende burger; een burger
die zich niet stilzwijgend wenst te voegen naar de zelfbepaalde gerechterlijke cultuur van geslotenheid en bijpassende gerechterlijke willekeur.

De Hofpresident nam indertijd de moeite zijn persrechter mr K op het ochtendblad EXTRA af te sturen met de boodschap wat meer terughoudendheid te betrachten bij het publiceren van artikelen, “die de geloofwaardigheid van het Gerecht zouden kunnen ondermijnen”.

De Hofpresident oreerde voorts ‘dat voor degenen, die het niet eens zijn met een rechterlijke uitspraak nog altijd de mogelijkheid bestaat van Hoger Beroep en eventueel Cassatie’.

Er wordt in deze hofpresidentelijke opstelling gemakshalve vergeten, dat de meeste klagers, tot op de donsharen door advokaten kaalgeplukt, uit een procedure in Eerste Aanleg te voorschijn komen en vaak niet de middelen hebben om de nóg hogere kosten, die verbonden zijn aan een Hoger Beroep, laat staan de enorme kosten verbonden aan het in Cassatie gaan, te bekostigen.

Ik kwam enkele jaren geleden een bekende radiojournalist tegen, die een behoorlijk bedrag als schadevergoeding was toegewezen in een procedure, die hij vanwege smaad tegen de hoofdredacteur van een ochtendblad had gevoerd. Ik vroeg hem lachend: “En ga je nu een feestje bouwen ?” Zijn antwoord: “ Wat ik van dat geld heb overgehouden is net voldoende voor een bootreisje, de rest is naar de advocaat gegaan die mij in dit proces heeft bijgestaan”.

Een andere bekende journaliste vertelde mij dat zij een te winnen zaak had, maar toen de rekening van het advocatenkantoor de NAF 16000.00 had overschreden, terwijl er nog geen concrete stappen waren gezet, ze het er maar bij heeft laten zitten.

Wijlen mr ir Komdeur met wie ik het, via mijn contacten met zijn echtgenote Tante Sten, die mij regelmatig in haar radioprogramma’s interviewde, goed kon stellen, was zo eerlijk om mij ronduit te zeggen ‘dat ik die zeer bewijsbare door mij geclaimde schade van NAF 10.000.00 het beste maar kon laten zitten, mocht de gedaagde na de ontvangst van zijn zeer pittige en dreigende brief niet bereid zijn de schade vrijwillig te betalen’.

In het andere geval zou ik veel meer aan hem kwijt zijn dan de geclaimde NAF 10.00.00, met daarbij de nimmer door hem te garanderen 100% kans op een succesvolle afloop.

Ik had alle geluk van de wereld: de betrokkene reageerde op de brief van mr Komdeur door direct te betalen. Het recht in onze democratische maatschappij is het recht van de sterken.

Afgezien van de voor velen onbetaalbare bedragen, die elk een beetje advocaat voor zijn diensten vraagt, is er een ander betwistbaar aspect aan de door de Hofpresident bepleite terughoudendheid bij het in het openbaar bespreken van juridische conflicten.

De slogan ‘we kunnen er niet over praten, omdat de zaak onder de rechter is’, is volgens mij niet meer dan een fossiel dat overgebleven is uit een tijd, waarin een foute rechter een hoge uitzondering was.

Ik ben ervan overtuigd dat het boek, dat advocaat mr Hugo Smit naar aanleiding van zijn pijnlijke ervaring met de liegende rechter mr Westenberg heeft geschreven, mede heeft bijgedragen aan het winnen van zijn zaak tegen die foute rechter.

Er wordt nu in de Nederlandse media een openlijke discussie gevoerd over foute rechters en de tegen hen te nemen strengere maatregelen. RTL nieuws meldde enkele maanden geleden dat tussen 2001 en 2011 echter slechts één keer een rechter werd ontslagen. Dat gebeurde pas, nadat ze 14 jaar lang voor veel problemen had gezorgd. Ze had een ernstig alcoholprobleem en werd op zeker moment door de politie verwaarloosd in haar huis gevonden, terwijl zij nog in functie was.

Deze vermelding is wellicht wat al te badinerend en mag althans niet als exemplarisch worden beschouwd voor bij rechtbanken bestaande wantoestanden. Maar het benadrukt wel de zeer ongewenste situatie, dat een foute rechter, die zich bewust is van zijn praktische onaantastbaarheid, geneigd zou kunnen zijn de grenzen te verleggen: het niet al te nauw te nemen met de bij zijn beroep behorende ethische normen van integriteit, onkreukbaarheid en onomkoopbaarheid, in de wetenschap toch niet te worden aangepakt. Ik ben ervan overtuigd, dat mr. Veenhof in zijn deels partijdige, deels foute en deels corrupte besluiten zich door de overweging “er toch gemakkelijk mee weg te komen”, heeft laten leiden.

Interessanter is het op 18 september 2015 door het Parool gepubliceerde interview met rechter mr Henk Naves, sinds 1 juli 2015 President van de Amsterdamse Rechtbank, die in een interview stelt : rechters moeten hun besluiten in tv-programma’s verdedigen.

Mr Naves meent, dat de tijd rijp is voor een gesprek met de rechter zelf, waarbij wel per geval zorgvuldig bekeken moet worden of de rechter naar buiten kan treden of niet. Mr Naves stelt, dat de Rechtspraak dobbert op de kurk van vertrouwen en dat rechters daarom elke dag en op alle fronten moeten kunnen uitleggen, wat ze doen en waarom. Vertrouwen maakt, dat iemand zich bij een uitspraak neerlegt.

Curaçao zucht al bijna twee decennia lang onder het beleid van- na het aftreden van Hofpresident mr Jaime Saleh- zwakke tot zeer zwakke Hofpresidenten. Dé bepalende factor bij de teloorgang van het gezag van het Gerecht alhier. Men mag serieus bidden voor het nu eens eindelijk benoemen van een zeer krachtige Hofpresident. Een Hofpresident, die niet alleen over kennis van zaken beschikt, maar die vooral gezag uitstraalt en die vooral tot vernieuwing bereid is. In een echt open rechtscultuur zou de Hofpresident er niet toe zijn overgegaan de persrechter op het ochtendblad Extra af te sturen maar de klager, – die zich zo luid uitliet over het door hem beweerde onrecht dat rechters hem zouden hebben aangedaan- voor een gesprek hebben uitgenodigd.

Tot zover de sociaal- maatschappelijke bespiegelingen van een geëngageerde leek en de terugkeer naar het eigenlijke onderwerp van deze columns : het wedervaren met ( een) foute lokale rechter(s).

In deze column deel V zal begonnen worden met aandacht voor de vraag hoe het noodlot bepaalde dat mr Veenhof mijn pad kruiste.

Mr FJP Veenhof werd zeer tegen mijn zin op voorstel van mr Diaz tot arbiter benoemd. Nadrukkelijk moet worden gesteld, dat er op zich niets mis was met het benoemen tot arbiter van deze toentertijd op Bonaire gevestigde rechter. Dit gegeven komt echter in een ander licht te staan, indien kennis wordt genomen van de discussies, die aan dit voorstel vooraf zijn gegaan.

Een ernstig dispuut met de ex-partners, waarmee ik in een maatschap samenwerkte, leidde tot opzegging van het vertrouwen door die ex-partners. De statuten van de maatschap schreven voor, dat in het geval van een dispuut eerst mediatie zou worden beproefd en indien er in de mediatie geen oplossing gevonden werd voor het conflict, de zaak ter arbitrage zou worden voorgelegd.

Partijen wezen over en weer elkaars kandidaten als voorzitter van de arbitrage-commissie af. Mijn voorstel om Prof mr Jaime Saleh als voorzitter te benoemen, stuitte bij de wederpartij op het bezwaar, dat de betrokkene tot mijn inner-circle zou behoren, wat absoluut niet het geval was. Hetzelfde argument werd gehanteerd bij mijn voorstel oud-rechter mr. N Nicatia als voorzitter te benoemen.

Ik wees mijn raadsman erop de begrijpelijke bij beide partijen bestaande vrees een door de andere partij voorgestelde kandidaat als voorzitter van de arbitrage-commissie te accepteren. Ook bij óns bestond immers de vrees dat de door de wederpartij voorgestelde kandidaat met name vanwege zijn voor die partij bestaande sympathie werd voorgesteld. De voor een arbitrage-procedure vereiste strikte arbitrale onpartijdigheid zou daardoor in het gedrang kunnen komen.

Ik deelde mijn raadsman  mee, dat ik ter garandering van de gewenste absolute arbitrale onpartijdigheid, de benoeming voorstond van een deskundige arbiter die bovendien aan de eis moest voldoen geen van de in het dispuut verwikkelde personen te kennen.

Mijn raadman schreef mr RD op dd 2 september 2009 een brief waarin hij hem het voorstel deed “om ter garandering van absolute onpartijdigheid een in Nederland gevestigde jurist tot arbiter te laten benoemen”. Mr RD heeft nooit op deze brief van mijn raadsman gereageerd.

Op 16 september 2009 stuurde mr RD een faxbrief, waarin hij met een volledig negeren van de hem toegezonden brief van 2 september 2009, mijn raadman op ultimatieve toon liet weten, dat hij mr Veenhof voorstelde om tot arbiter te worden benoemd en dat, ik in het geval ik niet met zijn voorstel akkoord zou gaan, maar naar de rechter moest stappen.

Na dit faxbericht van mr RD aanvankelijk voor mij geheim te hebben gehouden, stuurde mijn raadsman mij een brief, waarin hij zonder te verwijzen naar de opgemelde faxbrief van mr RD, mij van het voorstel van mr RD op de hoogte stelde, om vervolgens in een mondelinge onderhoud het voorstel aan te prijzen.

In de wetenschap, dat ik het mede door de eigen raadsman ondersteund voorstel van mr RD, zeer moeilijk kon afwijzen ( een ter goeder naam en faam bekend staande rechter, tevens accountant ), stuurde  mijn raadsman mr RD een brief, waarin werd aankondigd ‘dat zijn cliënt akkoord ging met het voorstel om mr Veenhof tot arbiter te benoemen’. Dit uiteraard zonder de woedende reacties te vermelden, die het opdringen van het voorstel van mr RD bij mij, mijn echtgenote en vrienden had uitgelokt.

Mijn raadsman blijkt buiten mij om, kritiekloos akkoord te zijn gegaan met een door mr RD voorgestelde arbiter, terwijl nadrukkelijk was afgesproken, dat daarvan geen sprake mocht zijn. Want waarom wél de door mr RD voorgestelde rechter mr Veenhof benoemen, terwijl de eerder door mij voorgestelde rechters prof mr Saleh en mr Nicatia niet mochten worden benaderd?

Het door mr mijn raadsman ondersteunde besluit van mr RD luidde het voorspel in van een door partijdigheid en corruptie bepaalde arbitrage-procedure. Het heeft er meer dan de schijn van dat mr RD niet zo maar de benoeming van mr Veenhof als arbiter heeft doorgedrukt.

Niet alleen wekte de tijdens de arbitrage geconstateerde vertrouwelijkheid in de omgang tussen mr RD en mr Veenhof bij mij de nodige argwaan, ook de in een van de vorige columns vermelde freudiaanse verspreking van mr RD deed mij vermoeden dat mr RD en mr Veenhof elkaar niet alleen van het Gerechtshof kenden, maar dat er ook een zekere amicaliteit tussen hen bestond.

Uit alles zal blijken, dat het door mr RD doordrukken van de benoeming van mr Veenhof niet zo maar een bevlieging was, maar dat daar een weloverwogen strategie aan ten grondslag lag, waar mijn eigen raadsman gewillig in trapte.

Arbiter mr Veenhof stelde bij de eerste zitting voor, dat hij voor de arbitrage gebruik zou maken van de statuten van de maatschap. Een besluit, waarop normaliter niets aan te merken viel, ware het niet dat de ex partners de statuten hadden gemanipuleerd door op stiekeme en slinkse wijze enkele addenda aan de statuten toe te voegen. Het bleken addenda te zijn waar ik absoluut niet blij mee kon zijn.

Ik wees mr Veenhof er dan ook op, dat hij wél rekening diende te houden met het feit, dat de statuten via de buiten mij om er aan toegevoegde addenda, behoorlijk waren gemanipuleerd.

Mr Veenhof wendde zich lichtelijk geirriteerd tot mij met de vraag “hoe dat zo” ?
Ik verwees hem naar de buiten mijn medeweten aan de statuten toegevoegde Appendix I, waarin tegen de waarheid in werd vermeld, dat een generator, die het eigendom was van mijn bedrijf gehuurd werd voor NAF 300.00 per maand.

Dit terwijl er een contract was, waarin vermeld werd dat de generator ter waarde van NAF 50.000.00 door de maatschap zou worden overgenomen en tot dat betaling mogelijk was een rente van 7% op het uitstaande bedrag( dus aanvankelijk NAF 300.00 aan rente per maand) verschuldigd zou zijn. De reactie van mr Veenhof : ‘Och dat is maar een klein ding en die statuten zijn bovendien ook mede door u getekend’.

Ik wist dat mr Veenhof, zeker met zijn back-ground als accountant, niet zo onwetend kon zijn te denken, dat een generator, die meer kostte dan welke kleine (KIA Picanto type) auto, voor NAF 300.00 per maand zou kunnen worden gehuurd. Ik wist dus vanaf dat moment ook, dat mr RD, door mij mr Veenhof als arbiter door de strot te duwen, de belangrijke eerste ronde gewonnen had en ik dus alle zeilen moest bijzetten ten einde te redden wat er nog te redden viel.

Ik vermeld vóór het afsluiten van deze column twee nieuwe onweerlegbare voorbeelden van arbitrale partijdigheid, waardoor het totaal dat eerder op zes stond (vide column deel IV) nu op 8 (acht) komt.

Voorbeeld 7 betreft de behandeling door de arbiter van het zg advies Percy de Paula. De Paula toonde aan, dat voor de winstdeling 2004, van de statutaire afspraak dat de overwinst op basis van gelijkheid zou worden verdeeld, was afgeweken. Zoals de inmiddels overleden de Paula het in een toentertijd gesprek met mij stelde : “dit is geen hogere wiskunde, maar slechts rekenen op lagere school niveau. Als de overwinst NAF X bedraagt, moet volgens de statuten iedere vennoot ¼ NAF X worden toebedeeld. Nu evenwel blijkt dat zonder enige nadere verklaring aan drie vennoten een hogere winst wordt uitgekeerd dan aan de vierde vennoot, is er sprake van handelen in strijd met de statuten…………”.

De leden van de wederpartij ontkenden niet de juistheid van de redenering van de Paula en beweerden ook niet zoals de arbiter dat wel deed, dat er sprake zou zijn van onvoldoende motivering zijdens de Paula. De wederpartij verweerde zich middels de volslagen ongeloofwaardige stelling, dat het door de Paula geconstateerde verschil werd bepaald door het feit, dat betalingen aan de drie vennoten per 1 januari 2004 zou zijn ingegaan en dat de betaling aan de vierde vennoot voor zijn medisch adviseurschap pas per 1 juli 2004 zou zijn ingegaan. Dit terwijl de per 1 juli 2004 tegenover de notaris getekende statuten uitging van kracht van terugwerking voor alle inkomsten en uitgaven tot 1 januari 2004.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de correctheid van de zienswijze van de Paula door register accountant drs W Curiel RA en later ook door de door de arbiter benoemde accountant- deskundige werd bevestigd.
Het is wel bepaald opmerkelijk en van vooringenomenheid en partijdigheid getuigend, dat mr Veenhof het ongeloofwaardig verweer van de cliënten van mr RD kritiekloos overnam.
Voorbeeld 8

De in zijn benadering van de financiële paragrafen door mr Veenhof getoonde partijdigheid kwam niet alleen in het rapport de Paula aan het licht.
Aan het einde van het onderzoek dat door het Accountantskantoor de Paus en Vesseur ( drs E Vesseur was door de arbiter als de accountant deskundige benoemd) werd uitgevoerd, bleek dat mr Veenhof AL zijn conclusies die de financiële paragrafen als onderwerp hadden en die hij kritiekloos van de foute, later uit het register van de NIVRA geschrapte acccountant TH had overgenomen, op advies van de accountant deskundige moest corrigeren.

Deze opdracht werd door mr Veenhof als bepaald pijnlijk ervaren. Daarvan getuigt zijn aarzeling om de door de accountant deskundige voorgestelde correcties metterdaad uit te voeren. Mr Veenhof stelt in een lachwekkende zo niet banale verklaring, dat de arbiter ook zal moeten onderzoeken of op basis van het definitieve rapport van de accountant deskundige onderdelen van de beslissing van 13 september 2010 die de financiële paragrafen betreffen, heroverweging behoeven. (Een kopie van deze hilarische arbitrale verklaring is aan de Redactie KKC ter verificatie opgestuurd.)

Arbitrage Veenhof JM Eustatia

Arbitrage Veenhof JM Eustatia

Een van de vragen, die ook vaker aan mij gesteld wordt, is waarom mr Veenhof heeft besloten om mij, toch niet de domste, noch de meest meegaande jongen van de klas, als slachtoffer uit te kiezen.

Het antwoord ligt voor de hand : mr Veenhof handelde met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in samenspraak met de advokaat, die voor zijn benoeming tot arbiter had gezorgd. “Slim of dom, jong of oud”, het maakte voor mr Veenhof niet uit. Mr Veenhof wist en gaat daar waarschijnlijk nog steeds van uit, dat men hem niets zou kunnen maken.

Maar die vraag roept bij mij ook reminiscenties op aan een hilarische gebeurtenis uit mijn studententijd. Samen met een vriend in de late uurtjes uit een Amsterdamse café waaiend en in het ongevraagde gezelschap van een niet al te spraakzame landgenoot, werden wij op weg naar onze fietsen opgewacht door een groepje nogal uit de kluiten gewassen, opgeschoten jongens, die luidruchtig geld eisten. Mijn vriend en ik zochten in paniek naar een snelle vluchtweg.

De landgenoot, die met zijn gedrongen figuur, gehuld in een tot een onder zijn gulp reikende donkerbruine grof wollen trui, meer gelijkenis vertoonde met een baviaan dan met homo sapiens, leek allerminst van zijn stuk gebracht.

Zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken, haalde hij met een nauwelijks te volgen razend snel gebaar een vervaarlijk kapmes van onder zijn trui vandaan en riep de in dolle vlucht zich uit de voeten makende opgeschoten jongens nog treiterig na: “ Jij verkeerde neger gekiest”.

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. J.M. Eustatia (1938) studeerde medicijnen aan de Universiteit van Nijmegen. Hij promoveerde in 1971 tot doctor in de geneeskunde op het proefschrift de vermenigvuldiging van virussen in lymphocytyen; een toentertijd zeer besproken onderwerp. In 1972 keerde hij als specialist in de laboratoriumgeneeskunde (hoofdvak Bacteriologie) naar Curacao alwaar hij tot 1998 als arts-bacterioloog en hoofd Landslaboratorium werkzaam is geweest. Eustatia heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de studie omtrent het voorkomen en de bestrijding van HIV-infecties (AIDS) op Curacao. Zijn werkzaamheden op dat gebied hadden als resultaat dat Curacao het eerste eiland in de Cariben was met een veilige bloeddonatie–organisatie. Curacao mocht tevens samen met Barbados als eerste landen in de Cariben de beschikking krijgen over het toentertijd enige en zeer beperkt beschikbare HIV bestrijdingsmiddel AZT. Lees meer…

Een Reactie op “Column JM Eustatia | Foute rechter(s): Zambesi (5)

  1. Helaas in de eerste alinea’s ook onze ervaring met het gerchtshof alhier en moeten wij net als de anderen het onrecht maar slikken. Gelukkig maakte onze advokaten ons duidelijk dat wij van de E10,000.00 niets over zouden houden. Inderdaat de meest kapitaalkrachtigste wint , recht maakt krom zonder blikken of blozen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *