AntilliaansDagblad | Tax haven in de tropen (1)

Uit historisch onderzoek blijkt dat halverwege 1942 maar liefst 140 Nederlandse ondernemingen hun zetel naar Curaçao hadden verplaatst.

Ooit was Curaçao een waar paradijs voor tropische belastingconstructies. Maar de jaren dat het offshore-regime het geld aan de palmbomen liet groeien zijn inmiddels al lang voorbij. Curaçao heeft lange tijd vastgehouden aan het offshoreregime, getuige de twintig jaar durende overgangsregeling die per 1 januari dit jaar is geëindigd. Wat maakte het eiland tot een bloeiende ‘tax haven’ in de tropen en welke factoren deden de offshore uiteindelijk de das om? Dit eerste deel geeft een beknopt overzicht van de opkomst van de Curaçaose offshoresector.

Het is september 1950. De Nederlandsche Handel- Maatschappij (NHM) – voorloper van de ABN Amro en toentertijd de grootste bank van Nederland – is op zoek naar een geschikte plek voor een trustkantoor. Ver uit het zicht van de grijpgrage handen van de fiscus. De verrekijker van de NHM richt zich op Willemstad, Curaçao. De bank stuurt een verkenner op stap. Een maand later wordt aan het bureau van notaris Anton Smeets de oprichting van het eerste trustkantoor op Curaçao beklonken.

Eerste contouren

Germaine Rekwest: ,,Het zal niet verbazen dat het ‘David vs. Goliath’-speelveld
waar Curaçao zich in begeeft het land parten zal blijven spelen.”

Maar volgens Germaine Rekwest, promovenda aan de University of Curaçao en de Erasmus Universiteit in Rotterdam, is dit eerste trustkantoor niet het begin van de offshorepraktijken op Curaçao. In de septembereditie van het maandblad Ars Aequi schrijft onderzoeker Rekwest een artikel over de historie van het Curaçaose offshoreregime, aan de hand van historische onderzoeken en krantenarchieven. Zij gaat voor het ontstaan helemaal terug naar het begin van de vorige eeuw.

Een belangrijke factor voor het ontstaan van een tax haven is volgens haar de ‘invoering van een speciale fiscale behandeling’ (zie kader). En dan constateert Rekwest dat het begon bij Shell. Vlak na de olievondst in 1914 in Venezuela bouwde Koninklijke Shell op Curaçao een olieraffinaderij. De keuze voor Curaçao was niet alleen ingegeven door de strategische ligging, de natuurlijke havens en de stabiele politieke situatie, maar vooral door de gunstige fiscale wetgeving die Shell heeft kunnen uitonderhandelen. Op verzoek van Shell verleende Curaçao namelijk vrijstelling van invoerrechten op de invoer van ruwe olie. En in 1937 werd een heffing over een fictieve winst ingevoerd.

,,De vrijstelling van invoerrechten voor Shell en de fiscale regeling waarbij een fictieve winst van de olieraffinaderij werd belast, kunnen naar mijn mening worden gezien als de eerste contouren van een tax haven op de Nederlandse Antillen”, aldus Rekwest.

Zetelverplaatsingen

Een andere markante ontwikkeling noemt de onderzoeker de zetelverplaatsing van grote Nederlandse bedrijven – zoals Philips en Unilever – naar de Nederlandse Antillen vlak voor de Duitse bezetting in 1940. Hierdoor konden deze ondernemingen niet langer als vijandelijk worden gezien en kon hun vermogen niet in beslag worden genomen. Deze bedrijven werden juridisch bijgestaan door notaris Smeets, door velen gezien als de grondlegger van de offshoresector op Curaçao.

Uit historisch onderzoek blijkt dat halverwege 1942 maar liefst 140 Nederlandse ondernemingen hun zetel naar Curaçao hadden verplaatst.

,,Hoewel de zetelverplaatsingen niet fiscaal ingegeven waren, hebben zij evenwel bijgedragen aan het ontstaan van de offshoresector op Curaçao.”

Door de introductie van de speciale wetgeving voor de zetelverplaatsingen bloeide tegelijkertijd ook de notariële en juridische sector op. Offshorewetgeving De offshore op Curaçao kwam pas echt van de grond na de Tweede Wereldoorlog. Het eiland raakte in een crisis en zocht volgens Rekwest naarstig naar middelen om de economie een impuls te geven. Het lukte Smeets de overheid te overtuigen een aantrekkelijk investeringsklimaat voor buitenlandse investeerders te creëren. Al hadden niet alle pogingen en nieuwe fiscale regelingen het gewenste effect. In 1953 werd de tax-holidayregeling ingevoerd en drie jaar later werd de weg vrijgemaakt voor de eerste vrije zone op Curaçao. De Antilliaanse overheid breidde voortdurend faciliteiten uit om bedrijven van over de hele wereld te trekken.

Tijn van Beurden noemt in Follow the Money drie belangrijke stappen in dat proces: een aangepaste regeling voor octrooimaatschappijen (1957), speciale beschikkingen van de belastingdienst over ‘tax rulings’ (voorgestelde constructies door offshorebedrijven, 1967) en een soepel toelatingsbeleid en vrijstelling van toezicht voor offshorebanken (1970).

Belastingverdrag met VS en BKR

Een belangrijke factor voor de groei van de offshore was het belastingverdrag met de Verenigde Staten in 1955. Nadat Nederland een belastingverdrag met de VS had gesloten, maakte Curaçao gebruik van de daarin opgenomen uitbreidingsbepaling voor de overzeese gebieden. Volgens onderzoek van Van Beurden heeft het belastingverdrag met de VS ‘grote invloed gehad op de enorme groei (maar ook op de latere neergang) van de offshore op Curaçao’.

Op basis van dit verdrag waren Amerikaanse betalingen van rente en royalties naar de Antillen vrijgesteld van de Amerikaanse bronbelasting van 30 procent en de bronheffing op dividenden werd verlaagd naar 15 procent, legt Rekwest uit. Deze mogelijkheid werd door het Amerikaanse ministerie van Financiën niet alleen gedoogd, maar zelfs actief gesteund. Door het verdrag konden Amerikaanse multinationals via een Antilliaanse vennootschap buitenlandse leningen aangaan, zonder onderworpen te zijn aan Amerikaanse bronheffing. Deze constructie zorgde in de decennia erna voor een bloeiende economie op Curaçao.

De tweede katalysator was de in 1965 tot stand gekomen Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), die voor een versnellling zorgde voor de enorme groei van de Curaçaose offshore. De BRK was een regeling om dubbele belasting in grensoverschrijdende situaties te voorkomen. Steeds meer bedrijven ontdekten hoe ze op deze manier via Curaçao de dividendbelasting konden vermijden. In slechts drie jaar tijd vertienvoudigde de dividendstroom via Nederland naar de Antillen, van 146 miljoen gulden in 1978 tot 1,8 miljard in 1981, aldus Van Beurden. De jaren 70 en 80, zo concludeert hij, vormden dan ook het absolute hoogtepunt van de Curaçaose offshore.

Remmen los

Als gevolg van met name het belastingverdrag met de Verenigde Staten en de BRK groeide de Curaçaose offshore spectaculair: van 1.250 ondernemingen in 1967 naar 2.900 in 1975 tot eindelijk maar liefst 27.850 ondernemingen in 1984, zo berekende Van Beurden. Ook het aantal offshorebanken steeg sterk: van 2 in 1969 tot 46 in 1985. Iedereen was het erover eens dat de financiële offshore verder moest groeien. Medio jaren 70 boog een Gemengde Commissie, ingesteld door de regeringen van de Antillen en Nederland, zich over de economische toekomst van de eilanden. Die commissie concludeerde dat de eilanden moesten streven naar uitbreiding van de commerciële dienstverlening, waaronder de offshore-activiteiten.

Van Beurden: ,,De reden voor die eensgezindheid lag voor de hand. Ondanks de lage belastingtarieven genereerde de financiële offshore namelijk een flinke stroom inkomsten voor Curaçao. Tijdens de jaren 70 was dat al rond de 20 procent van alle overheidsinkomsten. Dat liep medio jaren 80 op tot meer dan de helft. Geld uit de hemel, het manna van de Antillenroute. Dat moest vooral toenemen.”

Wat is offshore en wat zijn tax havens?

Het begrip ‘offshore’ dateert uit de jaren 20, toen befaamde criminelen in de Verenigde Staten (VS) hun misdaadgeld in het buitenland wilden wegzetten, uit het zicht van de IRS (Amerikaanse fiscus); dat deden ze offshore, buiten de VS.

Pas vanaf de jaren 70, toen de eurodollarmarkt zijn intrede deed, werd de term offshore gebruikt voor ‘transacties die weliswaar in Londen plaatsvonden, maar buiten de Britse regering vielen’.

Offshore is tegenwoordig een alomvattend begrip voor tax havens, OFC’s (offshore financial centers), vrije zones, ‘flags of convenience’ en offshore vennootschappen. Tax havens zijn dus niet hetzelfde als offshore, zo maakt Rekwest duidelijk: tax havens zijn locaties, terwijl offshore een ‘vaag begrip is voor elders’.

,,Ter illustratie: een (ei)land dat als een tax haven wordt aangemerkt heeft een offshoresector (bijvoorbeeld trustkantoren, offshorebanken, lage winstbelastingtarieven) waar buitenlandse investeerders een offshore vennootschap gebruiken en waarvoor het lage winstbelastingtarief van toepassing is.”

De Oeso definieerde in 2000 een tax haven met de volgende vier karakteristieken: geen of lage belastingtarieven; geen informatie-uitwisseling; geen transparantie; en geen lokale activiteiten. In de loop der jaren werden daar elementen aan toegevoegd, zoals, zo noemt Rekwest, kleine populatie, vaak een eiland en goede communicatieverbindingen.

Er spelen volgens haar daarnaast vijf factoren een rol bij het ontstaan van een tax haven: 1) Invoering van speciale fiscale wetgeving; 2) nauwe samenwerking van de staat met de offshoresector; 3) aanpassingsvermogen van de rechtspraak aan nieuwe ontwikkelingen; 4) treffen van maatregelen door andere landen en internationale organisaties; en 5) kleine jurisdicties die een band vormen met het (ex-)koloniale moederland.

Omdat het begrip tax haven vaak in verband wordt gebracht met zaken als belastingontduiking, witwassen van geld en criminaliteit, geven landen die als tax haven worden aangemerkt, steeds vaker de voorkeur aan de benaming OFC.

,,In OFC’s wordt doorgaans gebruikgemaakt van de offshore vennootschap. Op de voormalige Nederlandse Antillen worden van oudsher met ‘offshore vennootschappen’ vennootschappen bedoeld die ten behoeve van niet-ingezetenen zijn opgericht en die hun commerciële activiteiten geheel buiten de Nederlandse Antillen ontplooien.”

Notaris Anton Smeets

Notaris Antonius A.G. Smeets | Foto STvB advocaten

Zeg je offshore op Curaçao, dan zeg je ook notaris Anton Smeets. Het succes van Curaçao als belastingparadijs is ongetwijfeld voor een groot deel te danken aan Smeets, zo schrijft onderzoeker Tijn van Beurden in Follow the Money. Naast zijn grote deskundigheid beschikte de notaris over een internationaal netwerk van zakenrelaties. En als ex-Statenlid en plaatsvervangend gouverneur (1963-1966) had hij ook de politieke connecties om dingen gemakkelijk gedaan te krijgen.

Van Beurden: ,,Vanaf het begin was hij betrokken bij het opstellen van offshore-wetsontwerpen. In zijn functie als plaatsvervangend gouverneur tekende hij ook meerdere ontwerplandsverordeningen die betrekking hadden op offshorezaken. Daarbij ging het ook om zaken waarbij zijn notariskantoor was betrokken, zoals onder meer het verlenen van een vergunning aan een offshorebank waarvan de oprichtingsakte in zijn kantoor was gepasseerd.”

De notaris richtte ook drie eigen trustkantoren op, die in 1966 fuseerden tot Citco (Curaçao International Trust Company), al gauw het grootste trustkantoor van Willemstad. Helemaal smetteloos verliep Smeets’ carrière overigens niet, schrijft Van Beurden. Zo werd in 1966 een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar op zijn kantoor gepleegde vervalsingen, waarvoor uiteindelijk een kantoorgenoot tot een gevangenisstraf werd veroordeeld.

Smeets voelde zich toen genoodzaakt af te treden als plaatsvervangend gouverneur. Officiële erkenning voor zijn rol bleef niet uit. Zo ontving hij in 1984 een hoge koninklijke onderscheiding voor zijn bijdrage aan de Curaçaose offshore en drie jaar later werd het plein voor het Citcokantoor omgedoopt in Plasa Smeets.

In deel 2 de factoren die hebben bijgedragen aan de neergang van de Curaçaose offshoresector en de betekenis van de historische ontwikkelingen voor de financiële sector vandaag de dag.

Bron: Antilliaans Dagblad van 14 november 2020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *