Column Zambesi revisited | Schone handen in een vuil spel is niet makkelijk (9)

Column door dr. Jose M. Eustatia

Dr. Joe M. Eustatia

Dr. Jose ‘Joe’ M. Eustatia

Juridisch commentator en oud hoofdredacteur van de NRC Folkert Jelsma spreekt in de editie van de NRC van 25 september 2020 zijn bezorgdheid uit over de mogelijke ontsporing van advocaten in de strafrechtpraktijk. Het is volgens Jelsma immers niet makkelijk schone handen te houden in een vuil spel.

Gedoeld wordt op advocaten die soms de meest abjecte criminelen moeten verdedigen en moeten oppassen om niet in de tang van hun criminele cliënten te belanden. En het blijkt niet altijd te lukken om uit de tang van de criminelen te blijven.

Jelsma vermeldt met verwijzing naar het onderzoek dat door de Groene Amsterdammer is uitgevoerd (het z.g. “Groene onderzoek”), enkele verontrustende voorbeelden zoals advocaten die geen problemen hebben met het construeren van alibi’s, het opstellen van leugenachtige verklaringen of het presenteren van vervalste documenten.

Jelsma nuanceert de ernstige zorg over het afglijden van de advocatuur wel enigszins door te stellen dat het om een slechts zeer beperkte groep foute advocaten gaat (1% van alle advocaten) en dat slechts 3% in de categorie “afgegleden” valt.

Maar het kan niet worden ontkend dat er in het “Groene onderzoek” voorbeelden worden aangehaald die de wenkbrauwen behoorlijk doen fronsen. Zoals de vrouwelijke advocaat die zodanig door haar criminele broodheren was ingepakt dat zij haar auto aan haar maffieuze broodheer moest afstaan. En die maffiabaas stelde er kennelijk prijs op, de eigenaar van de auto met een respectabel aantal verkeersboetes op te zadelen.
Het gaat Jelsma uitsluitend om de delicate positie van de advocaat in zijn rol als dienstverlener aan criminelen, waarbij de betrokkene in die positie soms gedwongen wordt om tegen de wet in te gaan.

De rechter komt men in het artikel van Jelsma echter nergens tegen. Ik heb me bij het lezen van Jelsma’s overigens zeer lezenswaardige column nogal eens afgevraagd of de rechter zich ook in het strafrecht soms te lijdelijk opstelt. Waarom gaat de strafrechter niet in op de twijfelachtige echtheid van alibi’s waarvan de dubieuze constructies hem in sommige gevallen toch hadden moeten zijn opgevallen? En waarom gelast de rechter geen onderzoek naar overduidelijk als vervalst overkomende documenten die door een advocaat namens zijn maffiose cliënt als “echt” worden gepresenteerd? Die documenten moeten de rechter in bepaalde gevallen toch op zijn minst als verdacht zijn opgevallen.

Die vraag heb ik mij ook gesteld bij het lezen van het boek “De Laatste Kamer”,
waarvan de auteur mr. Geert Jan Knoops naar eigen zeggen “een van de grootste dwalingszaken ooit” behandelt. Alle lof voor mr. Knoops die met de nodige inzet er in is geslaagd in een herzieningsproces vrijspraak te krijgen voor twee onschuldig veroordeelden in de als de Bonairiaanse Spelonkzaak aangeduide zaak. Maar had het zover moeten komen als die rechters in de Spelonkzaak wat minder vast op hun stoel waren blijven zitten en zélf de moeite hadden genomen om op onderzoek uit te gaan?

Ze hadden op zijn minst een onderzoeksrechter kunnen inschakelen in de wetenschap dat het Bonairiaans opsporingsapparaat in het toentertijd hooguit 10.000 inwoners tellend Bonaire, bepaald amateuristisch en zelfs ondeugdelijk te werk ging. Nu mocht Knoops achteraf de rol van onderzoeker spelen.

Ik wil met een verhaal met een folkloristisch tintje aantonen dat het met een andere benaderingswijze zeer wel anders kan.

Mijn buurman en ik hadden zich 20 jaar geleden gekeerd tegen een buurman, een rijke grootgrondbezitter, bij wie ondanks zijn zeer hoge leeftijd de hormonen door zijn lijf raasden bij het aanschouwen van schaars gekleed vrouwelijk schoon. Ongehinderd door zijn hoge leeftijd toverde hij een op zijn terrein leegstaand pand om in een heuse nachtclub waarin dames van lichte zeden al paaldansend en begeleid door oorverdovend muziek een seksuele show opvoerden.

Omdat het steeds hitsiger wordend mannelijk publiek liet zich niet onbetuigd was er sprake van een waar geluidsinferno in een stukje landelijk Curaçao, waar je ‘s nachts normaliter alleen de geluiden van de natuur hoort.

Door ons niet aflatend geklaag over geluidsoverlast en de gang naar de rechter, kwam er ondanks een niet echt eenduidige rechterlijke uitspraak, maar door ingrijpen van de Overheid een eind aan dit wellustig festijn.
De krasse grijsaard was furieus en zon op wraak. Hij liet aan de grens van zijn perceel en het perceel van mijn buurman een stal aanleggen waarin een tiental varkens werden gestald die qua omvang reminiscenties opriepen aan mythologische dierfiguren. Mijn buurman werd binnen de kortste tijd door een vliegenplaag van Bijbelse proporties geteisterd. Normaal leven was voor hem slechts mogelijk met potdicht gesloten ramen. Zelfs bij mij op een paar honderd meter afstand was er sprake van een flinke toename van het aantal vliegen.

Er leek weinig tegen deze plaag te doen. De krasse grijsaard/grootgrondbezitter genoot immers de steun van het toenmalig hoofd Dienst Ruimtelijke Ordening. Die wees alle protesten af, stellende dat het perceel van de grootgrondbezitter voor landbouw en veeteelt was bestemd en hij niet over de juridische handvatten beschikte om de betrokkene te verbieden een veeteeltbedrijf op zijn percelen uit te oefenen.

De flamboyante rechter mr. Bob W die door mijn buurman was benaderd, liet het er niet bij zitten en besloot zelf poolshoogte te komen nemen.

Zijn verblijf op het terrein van mijn buurman was naar verluidt van korte duur, want hij koos, na binnen de kortste keer “von kopf bis fuss” door vliegen te zijn overdekt, voor een overhaast vertrek.

Maar het vonnis van rechter mr. Bob W. dat met een bevel tot per direct uitvoeren de nodige kracht werd bijgezet, noopte de grootgrondbezitter zijn zwijnen snel naar een plek op zijn landgoed te verhuizen, waar ze de buren niet tot last zouden zijn. Er is nadien niets meer van die varkens vernomen waardoor mijn idee dat die bovenmaatse beesten rechtstreeks uit de onderwereld van Hades afkomstig waren, alleen maar aan kracht won.
Het gaat in dit geval niet om een strafzaak, maar mij gaat het om de invloed die van het voorbeeld moet uitgaan.

Mijn bedoeling met deze inleiding is de vraag aan de orde te stellen of het door Jelsma aan de orde gestelde juridisch tekort in de strafrechtspraak, niet juist zou moeten leiden tot een nog leidender opstelling van de rechters.

Ik wil die problematiek benaderen aan de hand van mijn ervaring in een door mij aangevraagde arbitrageprocedure waarin rechter mr. Frans V als arbiter was opgetreden. Dat arbitrageproces verliep voor mij zeer teleurstellend. Ik vind het dan ook bepaald jammer dat ik pas ná het voor mij tegengevallen arbitrageproces, te weten ben gekomen dat mr. Frans V in diezelfde tijd een behoorlijk scheve schaats had gereden.

Mr. Frans V had tijdens zijn verblijf als rechter commissaris op Bonaire bepaald opzien gebaard met zijn fameuze interventie in een lopende Bonairiaanse strafrechtelijk onderzoek waardoor dat onderzoek volledig werd getorpedeerd. “Getorpedeerd” is letterlijk het woord dat toenmalige officier van Justitie mr. Mario Angela (tegenwoordig advocaat generaal bij het OM van Curaçao) heeft gebruikt om de zeer ongebruikelijke interventie van rechter mr. Frans V in het Zambezi strafrechtelijk onderzoek aan te duiden. Rechter mr. Frans V werd na zijn met veel kritiek onthaalde interventie, van de stoffige standplaats Bonaire afgehaald en naar de prestigieuze rechtbank van Haarlem overgeplaatst en tot vice president van de rechtbank benoemd. Een bepaald opmerkelijke promotie na een nogal dubieuze interventie in een lopende strafzaak.

In voorgaande edities van mijn columns Zambesi revisited is uitgebreid op deze opmerkelijke affaire ingegaan. De interventie van mr. Frans V in het Bonairiaanse strafrechtelijk onderzoek heeft tot het nodige ophef geleid.

Die interventie werd zelfs aanleiding voor het stellen van Kamervragen door o.a. de Tweede Kamerleden Bosman (VVD) en Ronald van Raak (SP).

Die discussie werd echter door de toenmalige minister van Justitie Opstelten al vroeg in de kiem gesmoord door te wijzen op de in de grondwet verankerde onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Een klassiek voorbeeld van het manipulatief misbruiken van de grondwettelijk vastgelegde onafhankelijkheid van de rechter voor het wegkijken bij overduidelijke door partijdigheid bepaalde rechterlijke miskleunen.

Over de curieuze interventie van rechter mr. Frans V in de Zambezi-zaak wordt tot op de dag van vandaag gezwegen als het graf. Mijn herhaalde pogingen om van Raak tot enige openheid in deze affaire te bewegen, liepen steeds uit op een mislukking. Zelfs een brief met verzoek om mij tijdens een verblijf in Nederland voor een gesprek te willen ontvangen om over deze zaak van gedachte te wisselen, werd niet door van Raak beantwoord.

Ik heb in een van mijn vorige columns gesteld er van overtuigd te zijn dat deze zaak in de Commissie STIEKEM van de Tweede Kamer zal zijn behandeld, waardoor alle bij deze zaak betrokkenen tot een absoluut zwijgen werden verplicht. Ik kan het opmerkelijk gedrag van van Raak niet anders verklaren dan te verwijzen naar de Commissie “STIEKEM”.

Dat klemt te meer daar ook NRC onderzoeks journalist Joep Dohmen die na eerder in verschillende artikelen over deze Zambezi-zaak heftig naar rechter mr. Frans V heeft uitgehaald, er ook het zwijgen heeft moeten doen en ook niet meer op mails reageerde.

Partijen in de maatschap waarvan ik deel uitmaakte, hadden zich statutair verplicht om een eventueel conflict eerst via mediatie op te lossen en indien mediatie geen soelaas bood een overeenkomst tot arbitrage aan te gaan.

Mr. Ruben D was in de arbitrageprocedure de vertegenwoordiger van de tegenpartij. Ik vermoed dat mr. Ruben D mr. Frans V in de periode dat laatst genoemde in de Bonairiaanse strafzaak aan het miskleunen was, heeft benaderd om als arbiter op te treden in de door mij aangevraagde arbitrageprocedure.

Mr. Ruben D was een gewiekste advocaat van het maffiose consiglieri type die eerder van wege fraude tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld. Maar mr. Ruben D had na die veroordeling zijn streken niet afgezworen.

Dat zal blijken uit de wijze waarop hij met de door mij verstrekte informatie is omgesprongen.

Ik had als mijn eerste kandidaat de algemeen gerespecteerde oud hofpresident prof mr. Jaime Saleh als arbiter voorgesteld. Dit voorstel werd door mr. Ruben D namens de tegenpartij resoluut afgewezen. Ik heb vervolgens de gezaghebbende oud rechter mr. Nic Nicatia voorgesteld. Ook deze kandidaat werd met het onterechte argument dat de betrokkene tot mijn inner circle zou behoren afgewezen (bijlage 9-1).

De door mr. Ruben D namens de wederpartij gedane voorstellen waren nauwelijks serieus bedoeld. Een van die kandidaten was advocaat mr. RBn die eerder een kantoorgenoot was geweest van mr. Ruben D en inmiddels werkzaam is als kantoorgenoot van hun tweede voorgestelde kandidaat, advocaat mr. KFk. Later zou blijken dat beide heren met de verdediging van mr. Frans V zouden worden belast.

Achteraf zal blijken dat deze ongeloofwaardige voorstellen slechts gedaan werden om tijd te rekken zodat mr. Ruben D met succes de benoeming van een door hem “voorgeprogrammeerde“ arbiter dwingend aan ons kon opleggen.

De procedurele regels schrijven voor dat in het geval partijen in een arbitrageproces het niet eens kunnen worden over de keus van de arbiter, de arbiter door een neutrale instantie moet worden benoemd. Er kan onder die omstandigheden geen sprake zijn van door partijen aan elkaar opdringen van hun kandidaat.

Het zal echter blijken dat de sluwe mr. Ruben D er juist op uit was zijn arbiter aan ons op te dringen.

Mijn toenmalige raadsman mr. MB besloot de ontstane patstelling te doorbreken door zich per brief aan de advocaat van de wederpartij te richten.

In zijn brief van 2 september 2009 werd de wederpartij verzocht om akkoord te gaan met de benoeming van een uit Nederland afkomstige arbiter met wie geen van de partijen ooit enig contact heeft onderhouden. Dit om absolute onpartijdigheid te kunnen garanderen.

Mr. Ruben D reageerde op 16 september 2009 (bijlage 9-2) op de brief van mijn voormalige raadsman mr. MB.

In zijn brief suggereert mr. Ruben D valselijk dat ik het proces van de benoeming van een arbiter alleen maar zou hebben opgehouden. Door de kandidaten die ik had voorgesteld niet te vermelden, suggereert mr. Ruben D bovendien valselijk dat ik geen deugdelijk voorstel voor de benoeming van een arbiter zou hebben gedaan(?); dat ik zijn voorgestelde kandidaten ten onrechte zou hebben genegeerd. En dat hij daarom redelijkerwijs gedwongen was de door mij veroorzaakte impasse te doorbreken door zélf een arbiter voor te stellen.

Het is onnodig te stellen dat ik niet alleen goede kandidaten had voorgesteld, maar dat mijn kandidaten van een veel zwaarder “kaliber” waren dan de door mr. Ruben D voorgestelde advocaten. Mr. Ruben D oordeelde tevens dat de in gebreke gestelde partij per se met zijn /voorstel voor de te benoemen arbiter (mr. Frans V) akkoord moest gaan.

Deze brief vertegenwoordigt de leugenachtigheid ten top!

De vraag hoe mr. Ruben D op het voor hem en zijn cliënten “lumineus” idee
kwam om mr. Frans V te benaderen om voor zijn mestkar te worden gespannen, kan ik niet beantwoorden. Feit is dat mr. Frans V op Curaçao als rechter werkzaam is geweest en advocaat mr. Ruben D hem dus moet hebben gekend.

Maar de prangende vraag is hoe mr. Ruben D wist dat mr. Frans V een rechter was met wie viel te “praten“ en dat die mr Frans V zelfs bereid was zich te laten “ompraten”?

Het zal in het vervolg van deze publicaties blijken dat terwijl wij aan het twisten waren over elkaars voorgestelde kandidaat arbiters, mr. Frans V al lang en breed door mr. Ruben D was klaar gestoomd om als zijn paard van Troje het arbitrageproces in te worden geparachuteerd.

Ik stond geheel alleen in mijn verzet tegen de benoeming van de door mr. Ruben D aan ons opgedrongen rechter. Want de advocaat die zich tegen de benoeming van een rechter als arbiter zal verzetten, moet nog geboren worden.

Het was onbegonnen werk om als enige bij het gerecht bezwaar aan te tekenen tegen de benoeming van mr. Frans V. Mr. Frans V was lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en stond op dat moment nog bekend als van onbesproken gedrag zijnde. Let wel: toen dit proces van de benoeming van een arbiter zich afspeelde, was er bij ons nog niets bekend over het Bonairiaanse Zambezi-schandaal. Dat Zambezi-schandaal kwam pas in 2010 via de vinnige publicaties van NRC-onderzoeksjournalist Dohmen in het nieuws.

Maar mr. Ruben D wist kennelijk zeer wél dat hij voor zijn dubieuze praktijken bij rechter mr. Frans V moest zijn. Hoe hij dat wist, is voor mij nog steeds een groot raadsel.

Hoe het ook zij, feit is dat mr. Ruben D er in was geslaagd “zijn” arbiter, mr. Frans V, het arbitrageproces in te parachuteren en hem als niet hapklare brok mij door de strot te duwen. Ik kon niets anders doen dan mij knarsetandend bij de aanstelling van mr. Frans V als arbiter neer te leggen.

Maar ik zag de bui al hangen. Want ik was ervan overtuigd dat elk voorstel voor een door mr. Ruben D te benoemen arbiter, zelfs indien het de paus van Rome betrof, voor mij aanleiding zou zijn voor diepgeworteld wantrouwen.

Mijn wantrouwen zou al bij de eerste mondelinge arbitrage-sessie worden bevestigd. Rechter mr. Frans V stelde zich vanaf het begin op als een partijdige en later zelfs frauduleuze arbiter.

Mr. Frans V gaf reeds tijdens de eerste arbitrage-sessie zijn brevet van partijdigheid af. Hij opende, na zich voorgesteld te hebben, de zitting met de mededeling dat de door partijen getekende statuten van de maatschap voor hem als basis zou dienen voor het door hem te leiden arbitrageproces.

Ik reageerde voorzichtig met de opmerking “te begrijpen dat de arbiter van de bestaande statuten gebruik zou moeten maken. Maar ik wilde hem er toch op wijzen dat ik onweerlegbaar bewijs had dat die statuten waren gemanipuleerd”.

De arbiter, die kennelijk niet op deze directe interventie was voorbereid, reageerde geprikkeld met een “hoe dat zo?” Ik verwees hem naar de brief van oud notaris mr. Palm (bijlage 9- 3), waarin deze ontkende dat bij de door hem goed gekeurde statuten bijlagen behoorde.

Ik wees de arbiter in dat verband op een als Appendix 1 aan de statuten toegevoegd addendum (bijlage 9-4) waarin sprake was van een generator die ANG 50.000.00 had gekost en voor het bespottelijke bedrag van ANG 300.00 per maand werd GEHUURD. De generator werd echter niet VERHUURD. Ik kon een getekende overeenkomst overleggen waarin sprake was van een maandelijks te betalen RENTE van ANG 300.00 voor de door mij aan de maatschap geleverde en nog te betalen generator (bijlage 9-5).

De arbiter reageerde verstoord en kort af met “och dat is maar een klein ding”.
Mijn vrouw en ik keken elkaar bezorgd aan want we wisten toen met zekerheid dat we van deze arbiter niet veel goeds hoefden te verwachten.

Maar zelfs deze “omgeprate” arbiter kon door de overvloed aan bewijsmateriaal er niet aan ontkomen mij in de zaak generator in het gelijk te stellen.

De ex-partners die de generator bij hun verhuizing uit zijn behuizing hadden gesloopt en naar hun nieuwe kantoor hadden versleept, moesten het schriftelijk overeengekomen koopbedrag betalen.

Alhoewel nadere discussie over het gemanipuleerd zijn van de statuten hierna overbodig lijkt zal ik in een volgende column nog meer bewijs aandragen.

In het slot van deze column deel 9 zal ik het hebben over de valse akte die mr. Ruben D heimelijk aan de als arbiter bijklussende rechter mr. Frans V had toegespeeld.

We zouden pas aan het end van het arbitrageproces te weten komen dat de als arbiter bijklussende edelachtbare rechter mr. Frans V geen gebruik had gemaakt van de akte die ik in mijn bezit had (bijlage 9-6). Ik was er zonder meer van uitgegaan dat de de ex partners deze akte ook zouden hebben ondertekend en dat de arbiter deze akte als leidraad voor het arbitrageproces zou gebruiken.

Wie schetst mijn verbijstering toen deurwaarder S. mij meedeelde dat het arbitrale vonnis niet geëxecuteerd kon worden omdat de enige solvente wederpartij niet in het arbitrale vonnis werd vermeld.

Advocaat mr. Rob Rb, die mij in die periode bijstond, besloot navraag te doen bij het secretariaat van de arbitragecommissie. We kwamen er toen pas achter dat in de akte die de arbiter had gebruikt de enige solvente wederpartij ontbrak (bijlage 9-7).

De arbiter had als leidraad voor het arbitrageproces gebruikt gemaakt van een akte die opmerkelijke verschillen vertoonde met de akte die ik in mijn bezit had.

Arbiter mr. Frans V had in zijn opperste wijsheid van een mij geheel onbekende akte (bijlage 9-8) gebruik gemaakt. In de door de arbiter gebruikte akte was het woord concept doorgehaald en waren op de plaats van de doorhaling parafen geplaatst. De enige solvente partij was eenzaam en alleen op een separate pagina 5 geplaatst. Bij die partij waren geen parafen geplaatst.

Kortom een karikatuur van een formele akte en slechts bedoeld om te doen voorkomen alsof alle partijen vrijwillig zouden hebben besloten de enige solvente partij aan het arbitrageproces te onttrekken.

Het arbitrale vonnis dat gebaseerd was op deze vervalste akte was door het ontbreken van de enige solvente partij slechts met de medewerking van mijn ex-partners executeerbaar. Die hebben van die doelbewuste arbitrale omissie hun voordeel gedaan door mij een lager bedrag uit te keren dan het door de arbiter al bewijsbaar te laag toegekend bedrag.

Twee oud rechters hebben onomwonden verklaard dat we met een vervalsing te doen hadden. Ik ben die rechters erkentelijk voor hun ondersteuning. Maar men zal wel moeten toegeven dat zelfs een persoon met een modale IQ zich zal hebben afgevraagd waarom men in dit digitale tijdperk de omslachtige weg heeft gevolgd van doorhalingen en het plaatsen van parafen om wijzigingen aan te brengen in een akte. Men had immers met één druk op de knop kunnen volstaan om een nieuwe akte uit te printen.

Het hoeft geen betoog dat alleen een volslagen idioot enig geloof zal hechten aan het verhaal dat ik bij het begin van de eerste arbitragesessie vrijwillig mijn medewerking zou hebben verleend aan de totstandkoming van deze opmerkelijke akte. Een akte waarin ik de enige wederpartij die in staat was om mij het bedrag uit te keren waar ik recht op had, van deelneming aan het arbitrageproces besloot te onttrekken. Maar het is opmerkelijk dat rechters tot in Hoger Beroep bleven geloven, lees bleven veinzden, te geloven in de echtheid van de hoax van rechter mr. Frans V en zijn kompaan mr. Ruben D.

In de civiele procedure in hoger beroep presenteerden de in het nauw gedreven advocaten wel drie of meer elkaar tegensprekende “verklaringen” voor de echtheid van de valse akte.

Het volgend saillant detail zal direct een eind maken aan de geloofwaardigheid van hun volslagen ongeloofwaardige bewering:

In mijn vorige column (deel 8) heb ik aangegeven dat mr. Ruben D al in twee aan het arbitrageproces voorafgaande procedures had getracht de enige solvente wederpartij aan mijn vorderingsmogelijkheid te onttrekken. Mr. Ruben D presenteerde in beide gevallen zijn cliënten als een nieuwe entiteit waarop mijn vorderingen niet van toepassing waren.

Hij werd in beide gevallen door de rechters teruggefloten (bijlage 9-8).

Nadrukkelijk moet vermeld worden dat de edelachtbare rechter mr. Frans V toen nog niet ten tonele was verschenen en het gerecht haar heil nog niet in klassenjustitie hoefde te zoeken.

Is het niet al te opvallend dat mr. Ruben D die eerder nergens met zijn doorzichtig trucje terecht kon, zijn trucje wél aan zijn “omgeprate” arbiter kwijt kon?

Ik meen reeds in deze fase te kunnen stellen dat de dubieuze interactie tussen mr. Ruben D en mr. Frans V, die ik met “ompraten” heb aangeduid, bepaald eufemistisch is “betiteld”.

Want niemand die over een normaal functionerend brein beschikt, zal enig geloof hechten aan deze hoax.

Maar het kan nog gekker: de tuchtraad onder voorzitterschap van tuchtrechter mr. Gijs L heeft een pagina’s lange eigen verklaring voor de echtheid van deze akte verzonnen en deze in zijn beschikking vastgelegd. Mr. Ruben D werd uiteraard weer van alle blaam gezuiverd.

Die fake verklaring van rechter mr. Gijs L werd daarna door de foute plv. rechter mr. PH V in het tegen mr. Frans V opgestarte civiele proces in eerste aanleg as such overgenomen. Ik werd daardoor voor de zoveelste keer door een foute rechter het bos ingestuurd.

De rechters weigerden ook in hoger beroep op mijn verzoek in te gaan de secretaris van de arbitragecommissie mr. Jos D op te dragen het origineel van de akte voor onderzoek af te geven. En dat ondanks dat mr. Jos D in een soort blufpoker schriftelijk had verklaard het origineel van de akte in zijn bezit te hebben (bijlage 9-9).

De rechters van het college van beroep stelden vervolgens dat het niet nodig was de akte aan forensisch onderzoek te onderwerpen “omdat dit toch niet zou leiden tot een hogere uitkering dan de uitkering die mr. Frans V mij had toegekend”. Een bizarre en bovendien niet op waarheid berustende bewering. Alles wijst in deze op klassenjustitie.

Maar rechter mr. Frans V en zijn kompaan advocaat mr. Ruben D die zich aan bewezen valsheid in geschrifte hadden schuldig gemaakt, mochten tot in hoger beroep van de rechters vrij uit gaan.

Nogal wiedes: het gaat de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie om het uit de wind houden van hun corrupte collega mr. Frans V. Maar de al eerder eens voor fraude veroordeelde mr. Ruben D zou indien veroordeeld, zijn ”omgeprate” kompaan mr. Frans V onherroepelijk in zijn val meeslepen.

En dát was nou net niet de bedoeling.

Wordt vervolgd.

Jose Eustatia Artsenlab Lab Consultants Repromed Toximed by Knipselkrant Curacao on Scribd

Dr. Jose ‘Joe’ M. Eustatia (1938) studeerde medicijnen aan de Universiteit van Nijmegen. Hij promoveerde in 1971 tot doctor in de geneeskunde op het proefschrift de vermenigvuldiging van virussen in lymphocytyen; een toentertijd zeer besproken onderwerp. In 1972 keerde hij als specialist in de laboratoriumgeneeskunde (hoofdvak Bacteriologie) naar Curacao alwaar hij tot 1998 als arts-bacterioloog en hoofd Landslaboratorium werkzaam is geweest. Eustatia heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de studie omtrent het voorkomen en de bestrijding van HIV-infecties (AIDS) op Curacao. Lees meer…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *