Kritiek Rekenkamer op boedelscheiding

DEN HAAG — De Algemene Rekenkamer heeft ook dit jaar weer kritiek op de verantwoording van de uitgaven aan samenwerkingsprogramma’s op Curaçao, Aruba en St. Maarten en het proces van de boedelscheiding van de Nederlandse Antillen. De organisatie schrijft dit naar aanleiding van het jaarverslag van het ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor 2012.

De Algemene Rekenkamer constateert dat het ministerie te weinig informatie heeft over de resultaten van de verschillende samenwerkingsprojecten om de uitgaven te kunnen verantwoorden.
In de periode 2000-2012 ging het om een bedrag van 523 miljoen euro dat via de Antilliaanse Mede Financieringsorganisatie (Amfo), Fondo Desaroyo Aruba (FDA) en de Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (Sona) beschikbaar werd gesteld.

“Het ministerie heeft de afgelopen jaren weliswaar acties ondernomen om de door de stichtingen opgestelde voortgangsrapportages te verbeteren, maar dit proces verloopt traag.
Zo zou bijvoorbeeld in 2011 een doelmatigheidsonderzoek plaatsvinden bij FDA. Dat onderzoek is pas in 2012 uitgevoerd, terwijl bestuurlijk overleg tussen Aruba en Nederland over de aanpak van de knelpunten uit dat onderzoek pas halverwege 2013 plaatsvindt”

, aldus de Algemene Rekenkamer.
De organisatie adviseert minister Ronald Plasterk om op korte termijn goede afspraken te maken over de evaluatie van de projecten, die in een reactie schrijft dat dit inmiddels ook gebeurd is.

Boedelscheiding
Over de boedelscheiding schrijft de Rekenkamer dat de tussentijdse rapportages van de Vereffeningscommissie niet voldoen, terwijl er in het najaar een voorstel moet komen voor de verdeling van de gezamenlijke bezittingen en schulden van de voormalige Nederlandse Antillen.

“De voortgangsrapportage geeft onvoldoende inzicht in de voortgang van de afhandeling van mogelijke vorderingen en schulden bij departementen, ondanks verzoeken van het ministerie van BZK om dit inzicht te geven.
Hierdoor bestaat onzekerheid over de volledigheid van de vorderingen en schulden.”

De Rekenkamer vraagt Plasterk om nogmaals aan te dringen op volledige rapportages over de voortgang van de werkzaamheden.

Opmerkelijk genoeg vindt de Rekenkamer overigens ook dat het ministerie te weinig aandacht schenkt aan het opstellen van zijn eigen jaarverslag.
Hierdoor is er gedurende het jaar te weinig inzicht op de financiën en moeten er aan het eind van het jaar veel correcties worden doorgevoerd.
Daarnaast heeft de directie te weinig kennis en ervaring bij het opstellen van het jaarverslag, is het onduidelijk wie welke rol heeft en zijn betrokken personen niet altijd beschikbaar. Minister Plasterk is het tot op zekere hoogte met die kritiek eens en belooft verbetering.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *