AVC | Niet alleen kan het nog, het moet nu ook!

Door Dick Drayer | Achterkant van Curacao

Paul Comenencia

“De verantwoordelijke bestuurders op de eilanden en in Nederland zouden de problemen met het herstel van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, als gevolg van de Covid19-crisis, veel meer en zichzelf iets minder serieus moeten nemen.”

Dat zegt Paul Comenencia in een lezing ter gelegenheid van de jaarvergadering van de Bond van Gepensioneerden van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba. “De problemen met de verhouding tussen de landen in het Koninkrijk zouden in dat geval makkelijker en sneller op te lossen zijn.”

“De situatie verschilt per eiland”, aldus Comencia. “Maar feit is dat de coronacrisis alle zes de eilanden hard raakt, waarbij de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, mogelijk vanwege de regelingen waar zij aanspraak op kunnen maken als onderdeel van het land Nederland, relatief iets minder problemen lijken te hebben dan de drie autonome landen.”

Meer dan ooit tevoren blijkt hoe slecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten opgewassen zijn tegen externe schokken en hoe groot hun afhankelijkheid is, onder dit soort omstandigheden, van Nederlandse humanitaire hulp en liquiditeitssteun, aldus Comenencia.

“En op allerlei manieren worden politiek en bevolking eraan herinnerd hoe vaak – tevergeefs – gewezen is op de dringende noodzaak om de openbare financiën eindelijk eens op orde te brengen, de economische weerbaarheid te versterken en lang verwaarloosde sectoren als onderwijs en sociale zorg te verbeteren.”

Gelukkig – volgens Comenencia – maken de landen deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden en kunnen zij, vanuit de gedachte dat de landen op voet van gelijkwaardigheid verbonden zijn tot verzorging van de gemeenschappelijke belangen en tot wederkerige bijstand, een beroep doen op hulp van hun grote en sterkere broer Nederland.

Voorwaarden

“Nederland verleent vervolgens bijstand maar stelt daar voorwaarden aan, wat ook binnen de solidariteitsgedachte moet kunnen”, zegt Comenencia. “Volgens de officiële uitleg omdat het Nederlands belastinggeld betreft waarover verantwoording moet worden afgelegd maar ongetwijfeld ook ingegeven door de opeenhoping van teleurstellingen over niet nagekomen afspraken.”

“De verantwoordelijke staatssecretaris stelt daarom voorwaarden die in de ogen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten de grenzen van het redelijke wel erg ver overschrijden. Middels een rijkswet Caribische Hervormingsentiteit wil Nederland zwaar ingrijpen in het lokale bestuur van de eilanden en op zijn manier orde op zaken stellen. En dat valt de eilanden zwaar.”

Lichtpuntje

Maar er is volgens Comenencia een lichtpuntje aan het eind van de tunnel. Na de drie premiers aanvankelijk slechts de optie van tekenen bij het kruisje te hebben geboden (niet de gangbare procedure voor een consensus-rijkswet) stuurde Raymond Knops op 8 september, na terugkomst van een bezoek aan Bonaire en Curaçao, een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij over de voorgestelde rijkswet schrijft, dat:

De landen niet tegen hun zin gedwongen kunnen worden zich aan het voorstel te verbinden… Nu instemmen met het besluit om het voorstel voor advies naar de Raad van State van het Koninkrijk te verzenden betekent dan ook niet dat de landen hieraan vastzitten. () Nadat de Raad van State van het Koninkrijk advies uitbrengt, breekt weer een nieuw moment aan waarop er consensus moet zijn; namelijk bij het opstellen van het nader rapport. Om zeker te stellen dat de Raad reflecteert op bepaalde vragen ten aanzien van het voorstel, ben ik met uw Kamer eens dat het kan helpen om deze vragen te incorporeren in de adviesaanvraag. Daartoe had ik reeds besloten, naar aanleiding van gesprekken over het voorstel met een van de landen. Gelet op de urgente situatie in de landen spreekt het voor zich dat ik bereid ben het advies van de Raad van State van het Koninkrijk over het voorstel, na ontvangst, zo snel mogelijk in de Rijksministerraad voor te leggen.”

En dan volgt een belangrijke zin, aldus Comenencia:

“Als gezegd zal eerst echter in overleg met de deelnemende landen een nader rapport moeten worden opgesteld”.

“In overleg met de deelnemende landen. Wie de Nederlandse taal een beetje beheerst, kent het verschil tussen in overleg en na overleg, zegt Comenencia. Diverse mensen die hij sinds de openbaarmaking van deze brief gesproken heeft, zien hierin een belangrijke opening voor de Caribische landen; een opening die niet onbenut moet blijven.

“De opening betreft de mogelijkheid voor de Caribische landen om, met de adviesaanvraag van de Rijksministerraad over de voorgestelde rijkswet Caribische Hervormingsentiteit, ook extra eigen adviesvragen mee te sturen naar de Raad van State.”

“En verder ook de bevestiging door de staatssecretaris dat, na ontvangst van het advies van de Raad van State, het nader rapport over het voorstel, in overleg met de deelnemende landen zal worden opgesteld.”

Bemoedigend

“Gaan de landen van deze opening gebruik maken?”, vraagt Comenencia zich af. “Dat is nog niet duidelijk. Maar de Curaçaose premier, Eugene Rhuggenaath, had gisteravond bemoedigend nieuws. In een korte televisietoespraak meldde hij dat de afgelopen weken significante vooruitgang was geboekt in de ambtelijke besprekingen met Nederland, en dat hij goede hoop had dat, als het zo doorgaat, er binnenkort een politiek akkoord kan zijn over de inhoud van het pakket zodat het pakket door de Rijksministerraad kan worden vastgesteld, naar de Raad van State kan voor advies en het verdere verloop van het proces kan plaatsvinden.”

Eerder had Rhuggenaath al bevestigd dat, wat betreft opties voor oplossing van de liquiditeitstekorten en aanpak van de bredere problematiek, er geen beter voorstel is dan het Nederlandse. “En daar heeft hij gelijk in, met alles wat je zou kunnen vinden van de huidige versie van de concept-rijkswet Caribische Hervormingsentiteit, waar gelukkig nu over wordt gesproken.”

Antillen

Even terug de geschiedenis in. Veel mensen herinneren zich volgens Comenencia het in juli 1979 verschenen adviesrapport Aanzet tot een integraal beleidskader voor de Nederlandse Antillen in de jarentachtig, opgesteld door een bij Koninklijk besluit ingestelde gemengde commissie van Nederlandse en Antilliaanse deskundigen.

“Op pagina 13 van het rapport staat onder meer dat de publieke sector zich kenmerkt:

Door een ondoelmatig beheer, door een deels improductief ambtenarenapparaat en door een kritieke financiële situatie. Ook de particuliere sector kenmerkt zich door een relatief hoge consumptie en een te snelle loonstijging in verhouding tot de arbeidsproductiviteit, en voorts door een te grote ongelijkheid in de inkomensverdeling en relatief onvoldoende schepping van arbeidsplaatsen. Het overheidsbeleid, -apparaat en de -financiën dienen op orde gesteld te worden, schreef de commissie, en voegde daaraan toe, dat:

Bij benoemingen en promoties van ambtenaren dient de hand te worden gehouden aan de bestaande regels en voorschriften.

De commissie bepleitte toen al ook een meer selectieve indexering van de inkomens van het overheidspersoneel, waarbij de hogere inkomensgroepen een sterkere matiging accepteren.

“Bekend geluid”, zegt Comenencia. “Er zouden na 1979 nog vele andere rapporten en publicaties volgen, van lokale, Nederlandse en internationale instanties, met steeds min of meer dezelfde adviezen.”

Jesurun

“Het in 2004 verschenen rapport ‘Nu kan het, nu moet het!’ van de zogeheten commissie Jesurun bevatte niet alleen het door de meeste lokale politici met applaus ontvangen advies tot ontmanteling van de Antillen maar constateerde, in navolging van anderen, ook ernstige tekortkomingen op gebied van financieel beheer, gebrek aan bestuurskracht, een zwakke rechtsorde en rechtshandhaving, weinig ruimte voor maatwerk in- en geen visie op de Koninkrijksverhoudingen.”

De commissie Jesurun adviseerde om de waarborgtaak van het Koninkrijk opnieuw in te vullen door gezamenlijke vaststelling van normen voor rechtsorde, goed bestuur en overheidsfinanciën, versterking van de rol van het Koninkrijk en meer samenwerking tussen de partners in het nieuwe bestel.

Op de ontmanteling van de Antillen per 10-10-10 volgde in de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten en op de openbare lichamen Bonaire en Sint Eustatius een ongekende golf van politieke instabiliteit, met jaarlijks wisselende kabinetten en bestuurscolleges.

“Curaçao en Sint Maarten waren weliswaar, dankzij herfinanciering door Nederland van 70% van de externe schulden, hun nieuwe status met een min of meer schone lei begonnen, maar met Den Haag was afgesproken dat extra hervormingen zouden worden doorgevoerd om die schone lei echt waar te maken en daar is weinig van terecht gekomen. Vooral door het wanbestuur en de politieke instabiliteit die volgenden op 10-10-10, met op Curaçao zeven kabinetten in zeven jaar.”

Verwachtingen

“Met het aantreden medio 2017 van het kabinet Rhuggenaath op Curaçao leek de politieke rust te zijn teruggekeerd maar waren ook de verwachtingen hoog gespannen; erg hoog gespannen voor een kabinet dat steunde op een broos evenwicht van lang niet altijd even eensgezinde partijen en dat, boven op inmiddels acuut achterstallig onderhoud op diverse beleidsterreinen, ook te maken kreeg met sluiting van de raffinaderij, een Venezolaanse migratiecrisis en de uitbraak van COVID-19”, zegt Comenencia.

“Tel daarbij op een allesbehalve constructieve oppositie en een inmiddels zwaar gedesillusioneerd Den Haag, en het resultaat is een ‘perfect storm’, zoals ook Aruba doormaakt met zijn ingezakte economie en complexe politieke tegenstellingen.”

“Gedeelde verantwoordelijkheid”, gaat Comenencia verder. “Niemand zal kunnen ontkennen dat de problemen waar Curaçao maar ook Aruba en Sint Maarten mee kampen, het gevolg zijn van veel meer dan alleen de coronacrisis, orkanen of het wegvallen van raffinage-activiteiten. Bij elk gesprek over de huidige situatie komt weer naar voren dat de eilanden zelf veel kansen hebben laten lopen om hun huishoudboekje op orde te brengen.”

“Maar ook grote broer en voormalige kolonisator Nederland mag zich de huidige situatie aantrekken. Na vele decennia van volstrekte onverschilligheid (Indonesië was altijd veel belangrijker), werd, vanaf de autonomie in 1954, het Nederlandse beleid ten opzichte van de eilanden vooral gekenmerkt door inconsistenties en vrees: vrees voor gedoe en vrees voor kosten. De eilanden moesten niet te veel gedoe opleveren en mochten niet te veel kosten.”

“En te lang is Den Haag er, vanaf 1954, vanuit blijven gaan dat autonomie vanzelf ook de vereiste bestuurlijke competenties zou meebrengen. Investeringen in ontwikkelingshulp en technische bijstand vonden plaats zonder echt serieuze pogingen tot lokale opbouw van competent bestuur en professioneel ambtelijk kader, wellicht uit vrees om voor neokoloniaal te worden uitgemaakt. Bang om de lokale politiek op de eilanden voor het hoofd te stoten, heeft Den Haag zelfs de roep van lokale maatschappelijke organisaties om nauwere betrokkenheid bij het bestuurlijke reilen en zeilen op de eilanden lang genegeerd”, aldus Comenencia.

Record-tijd

Een beetje begrijpelijk, volgens Comenencia, is dan ook dat Willemstad stomverbaasd reageerde toen Den Haag, na net vorig jaar een zogeheten Groeiakkoord met Curaçao te hebben getekend, ineens het Groeiakkoord opzij wilde zetten en uitvoering binnen record-tijd begon te eisen van zo’n beetje alles wat het de afgelopen decennia had nagelaten te stimuleren en ontwikkelen, er aan voorbijgaand dat ook op de eilanden de benadering van grote stappen, snel thuis, niet werkt.

“Hoe zeer de Caribische landen de zaken ook hebben laten versloffen, Den Haag zal toch in een normaal tempo met ze tot afspraken moeten zien te komen over het eindelijk doorvoeren van lang uitgestelde hervormingen. En zoals Den Haag, volgens letter en geest van het Statuut, met de Caribische landen in gesprek moet over de volgende stappen, zo zullen ook de politici in Oranjestad, Willemstad en Philipsburg op een gegeven moment (hoe eerder, hoe beter) de uitgestoken Haagse hand – hoe onbehoorlijk die aanvankelijk ook overkwam – toch maar moeten aannemen, in het belang van vooral het kwetsbare deel van de bevolking, dat in deze crisistijden van de eigen overheden helaas niet de hulp en ondersteuning heeft kunnen krijgen waar Nederland nu mee wel klaar staat.”

“De brief van 8 september bevat belangrijke passages die door niet de minsten in het Koninkrijk als het begin van een opening worden gezien, een opening die de Caribische landen niet onbenut moeten laten.”

Gelet op de jongste televisietoespraak van premier Rhuggenaath, heeft in ieder geval Curaçao de opening benut, denkt Comenencia. “En dat is, na zoveel weken onzekerheid, heel goed nieuws.”

Reset

“Vandaag over een week is het tien jaar sinds 10-10-10; een mooie gelegenheid voor een ‘reset’ in de Koninkrijksverhoudingen”, zegt Comenencia. “Ervan uitgaande dat de Caribische rijksdelen en Nederland samen door willen en de koninkrijksbanden niet verder willen laten verslappen, zou men, al dan niet in het kader van afspraken over de voorgestelde hervormingsautoriteit, ook eindelijk samen werk kunnen maken van de ondergesneeuwde punten uit het rapport Jesurun, te beginnen met de ontwikkeling van een gedeelde visie.”

In 2011 deed toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Piet Hein Donner hier al een aanzet toe met de uitnodiging aan de Caribische rijksdelen om:

Samen te investeren in een verband waarbinnen en waardoor economische mogelijkheden en welvaart geoptimaliseerd kunnen worden, sociale en culturele verscheidenheid tot hun recht komen, ieder kansen heeft en niemand van de honger omkomt.

“Wellicht gedreven door de coronacrisis maar in ieder geval met de kennis en ervaring van nu over de beperkingen van extreme kleinschaligheid, is dit het moment voor alle Koninkrijkspartners (niet in de laatste plaats onze eilanden, inclusief het sinds 1986 autonome Aruba) om lang ontkende waarheden onder ogen te zien, uit eigen beweging, volledig autonoom, met elkaar en met Nederland afspraken te maken over een gedeelde visie en hoe daar vorm aan te geven.”

Iedereen

Comenencia denkt dat iedereen een bijdrage hieraan kan leveren. “Door zowel je Nederlandse netwerk (politiek en daarbuiten) als je Caribische familie en vrienden (in en buiten de politiek) te overtuigen dat de krachtmeting die tot nog toe plaatsvond, de heldhaftigheid van bepaalde politici, hoe zeer ook bedoeld om indruk te maken, vooral de kwetsbare groepen op de eilanden dupeert, de groepen die niet in de positie verkeren om betaling van hun inkomen te kunnen afdwingen met stakingsacties of belastingaanslagen.”

“En”, zo besluit Comenencia, “je zou aan je contacten kunnen uitleggen dat het ware gelijk niet in uitersten te vinden is maar op die gulden middenweg, waar Den Haag en de eilanden elkaar, met een beetje goede wil, moeten kunnen vinden. Lever vandaag dan morgen.”

“Want, om het rapport van de commissie Jesurun uit 2004 te parafraseren:

Niet alleen kan het nog, het moet nu ook!


Paul Comenencia (Curaçao, 24 januari 1960) is lid van de Raad van State van het Koninkrijk, non-profit-bestuurder en toezichthouder, voormalig politicus en oud-diplomaat. Op 6 juli 2018 werd hij, op voorstel van de Curaçaose regering, door de Rijksministerraad voorgedragen ter benoeming tot staatsraad in de Raad van State van het Koninkrijk en op 29 augustus 2018 door koning Willem-Alexander beëdigd.

Bron: Achterkant van Curacao

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *